BESTAANDE UIT:
AANTEKENINGEN ALLE HOORCOLLEGES RISICOTAXATIE (HC 1 T/M HC11)
Hoorcollege 1 Risicotaxatie 29-01-2019
Inleiding risicotaxatie
Risicobeoordeling is de kansberekening dat er schadelijk gedrag of een schadelijke gebeurtenis zal
plaatsvinden. Het impliceert een beoordeling wat betreft de frequentie van gedrag (of de gebeurtenis),
de waarschijnlijke impact ervan en wie het zal beïnvloeden. Deze inschatting van toekomstig
schadelijk gedrag wordt gemaakt aan de hand van risico- en beschermende factoren.
Een risico wordt gedefinieerd als een onzekere voorspelling over toekomstig gedrag met de kans dat
de toekomstige uitkomst van het gedrag schadelijk of negatief zal zijn. Risicofactoren zelf worden ook
wel criminogene behoefte genoemd. Risicofactoren kunnen optreden op zowel biologisch,
psychologisch, familiair of gemeenschappelijk gebied. Het tegenovergestelde van deze risicofactoren
zijn dus beschermende factoren. Deze zijn geassocieerd met een lagere kans op problematische
uitkomsten en verminderen de negatieve impact van een risicofactor. Het is echter wel zo dat de
meeste punten die gerelateerd zijn aan risicofactoren ook van toepassing zijn op de beschermende
factoren. Bij het werken met forensische populaties wil men niet alleen repareren wat er stuk is, maar
ook behouden en versterken wat goed is.
Het indelen van risicofactoren gebeurt op de volgende manier. Statisch wil zeggen dat ze vaststaan,
hier is geen verandering meer in aan te brengen. Bijvoorbeeld iemand zijn geschiedenis/verleden met
gewelddadig gedrag of iemands zijn leeftijd en geslacht. Dynamisch wil zeggen dat ze wel te
veranderen zijn en daarom focust een behandeling zich ook met name op de dynamische
risicofactoren en niet op de statische factoren omdat deze niet veranderbaar zijn.
Volgens Andrews, Bonta en Wormith (2006) zijn er 8 centrale risicofactoren:
1. Antisociale houding/oriëntatie
2. Antisociale peers (omgeving)
3. Antisociale persoonlijkheidsstoornis
4. Antisociaal gedragspatroon
5. Afwezigheid van prosociale hobby’s/activiteiten
6. Disfunctioneel gezin
7. Werk gerelateerde problemen
8. Middelenmisbruik
1
,Al deze dynamische risicofactoren zouden toekomstig crimineel gedrag goed kunnen voorspellen.
Andere risicofactoren die niet direct verband hebben met misdaad, kunnen bestaan uit:
- Persoonlijke stress
- Slechte fysieke levensomstandigheden
- Psychische stoornis
- Lage ambitie
- Negatief zelfbeeld
- Onvoldoende angst voor officiële straffen
- Gebrek aan lichaamsbeweging
Bij het inschatten van het risico is het daarnaast essentieel dat men kijkt naar het soort gedrag, is het
gewelddadig of seksueel gericht, de omstandigheden waaronder het gedrag waarschijnlijk naar voren
zal komen en tot slot de mogelijke schade die veroorzaakt wordt door het gedrag.
Zoals in het schema ook te zien is, kunnen dynamische risicofactoren verder worden onderverdeeld in
acute en stabiele risicofactoren. Acute risicofactoren zijn snel veranderbaar, duren vaak maar
uren/dagen en worden vaak getriggerd door de omgeving of intra persoonlijke spanningen die verband
hebben met recidivisme. Stabiele risicofactoren zijn tekorten in de persoonlijke vaardigheden en
aangeleerde gedragingen die samenhangen met recidive maar die door behandeling wel kunnen
veranderen. Naast het onderscheid tussen acuut en stabiel, kan er ook onderscheid gemaakt worden
tussen proximale en distale risicofactoren. Proximale risicofactoren vormen een onmiddellijke
kwetsbaarheid voor een bepaalde gebeurtenis, houdt in dat het dichtbij en direct is. Bijvoorbeeld
iemand met een alcoholverslaving die in een bar werkt. Distale risicofactoren verwijzen naar een
onderliggende kwetsbaarheid voor een conditie of gebeurtenis, die al dan niet zal kunnen gebeuren in
de toekomst. Bijvoorbeeld een pedofiel die op weg naar een school is. Je kan het als het ware zien als
directe kwetsbaarheid, enigszins oppervlakkig en een wat dieper gewortelde kwetsbaarheid die
eigenlijk constant aanwezig is.
Dynamische factoren hebben een dubbele rol die ook wel oorzaak-gevolg/cause-effect hypothese
wordt genoemd. Enerzijds helpen ze namelijk recidive voorspellen, anderzijds helpen ze om recidive
te verklaren en leggen mogelijke oorzaken bloot. Echter zijn er wel enkele eisen voordat dynamische
factoren oorzaken van crimineel gedrag kunnen verklaren, dit kan namelijk alleen als:
- Er bewijs is voor een verband tussen het risicofactor en recidive
- De oorzaak voorafgaand aan het effect plaatsvindt
- De oorzaak anders is dan het gevolg
- Andere factoren uitgesloten kunnen worden als oorzaak
- Er een werken mechanisme is tussen risicofactor en de uitkomst.
Echter zijn er wel een paar problemen/kritiek op het zien van risicofactoren als oorzaken van gedrag.
Vaak gaat het namelijk oom samengestelde constructen, ze hebben een gebrek aan specificiteit, het
grain probleem (risicofactoren worden gepresenteerd op meerdere niveaus van algemeen naar
concreet, het is dan moeilijk om te onderscheiden welk niveau passend is bij het gebruiken van
factoren om de misdaad te verklaren) en ze worden als normatieve concepten gezien. Zoals in de
cursus al eerder aan bod is gekomen, kan het RNR-model dienen als een nuttig kader als het gaat
om het inschatten van het risico. Deze bestaat uit de volgende onderdelen:
1. Risk-principe = suggereert dat interventies overeen moeten komen met het ingeschatte risico
2. Need-principe = suggereert dat interventies zich moeten richten op de criminogene
behoeften of geassocieerde gedragingen.
3. Responsiviteits-principe = suggereert dat de interventies overeen moeten komen met de
vaardigheden, kwaliteiten en kenmerken van de dader. Stem je behandeling af op de persoon.
Geschiedenis van risicobeoordelingen bestaan als het ware uit vier verschillende generaties:
(A) Ongestructureerd professioneel oordeel (hierin werd er geen gebruik gemaakt van
onderliggende evaluatie-instrumenten). Voordeel hiervan was dat het goedkoop, makkelijk en
flexibel was en daarnaast had men geen training nodig. Nadeel was echter dat het niet
transparant was, de nauwkeurigheid afhankelijk was van het individu en dat deze manier ook
gevoelig is voor biases.
(B) Focus op statische factoren (empirisch gefundeerd). Voordeel hiervan was dat het een
objectieve methode was die snel is uit te voeren en makkelijk repliceer baar is. Nadeel is
echter dat het niet gebaseerd is op enige theorieën, niet flexibel is en maar beperkte
identificatie heeft met behandelingsdoelen.
2
, (C) Opname van dynamische risicofactoren en non-criminogene behoeften (gestructureerd
professioneel oordeel). Voordeel hiervan is dat het een goede predictieve validiteit heeft en
aansluit bij behandeldoelen. Nadeel is dat het meer tijd inneemt en het herhaald moet worden
om veranderingen in de taxatie te onderzoeken.
(D) Inclusief casusplanning en interventie. Voordeel hiervan is dat het integreert met interventies,
theoretisch voldoende is en dat het gevoelig is voor veranderingen in de tijd. Nadeel is wel dat
het tijdrovend is, men opgeleid moet worden en het expertise vereist en dat het maar een
korte houdbaarheidsdatum mag hebben wat inhoud dat de taxatie hier ook herhaald moet
worden om veranderingen te kunnen onderzoeken.
Kort samengevat is risicotaxatie iets wat nooit perfect kan gebeuren, tot op heden bestaat er ook geen
instrument die risico perfect in kan schatten. Daarnaast is het belangrijk dat men de verschillende
niveaus van risicofactoren van elkaar leert onderscheidden.
3