Centrale Begrippen:
Rede: Het vermogen van de mens om logisch te denken, te begrijpen en te
redeneren.
Subjectiviteit: De ervaring van een individu, hoe iemand de wereld ervaart
vanuit zijn eigen perspectief.
Intersubjectiviteit: De manier waarop individuen met elkaar communiceren
en betekenis delen, waarbij de ervaringen tussen verschillende subjecten
worden uitgewisseld.
Zelfbewustzijn: Het bewustzijn van het eigen bestaan en identiteit.
Identiteit: De kenmerken die een persoon uniek maken, inclusief aspecten
zoals geslacht, culturele achtergrond, etc.
Lichamelijkheid: De fysieke aspecten van het menselijk bestaan, ons
lichaam en hoe we daarmee in de wereld zijn.
Excentriciteit: Het idee dat het individu buiten zichzelf kan treden en
objectief naar zichzelf kan kijken.
Macht: De capaciteit van een individu of groep om controle of invloed uit te
oefenen over anderen of de omgeving.
Disciplinering: Processen waarbij individuen worden gevormd en
gecontroleerd door sociale normen en regels.
Arbeid: Het concept van werk, productie en de rol ervan in de
maatschappij.
Communicatie: De uitwisseling van informatie en betekenis tussen
individuen.
Seksualiteit: De aspecten van menselijke seksuele identiteit, verlangens en
relaties.
Begrippenparen:
Cultuur en Natuur: De interactie tussen door mensen gemaakte systemen,
tradities en ideeën (cultuur) en de natuurlijke omgeving.
Emotie en Verstand: De relatie tussen onze emotionele reacties en ons
rationele denken.
Geest (Ziel) en Lichaam: De verhouding tussen het niet-materiële aspect
van de mens (geest of ziel) en het fysieke lichaam.
Monisme en Dualisme/Pluralisme: Filosofische standpunten over de aard
van de werkelijkheid, waarbij monisme stelt dat er één fundamentele
substantie of principe is, terwijl dualisme/pluralisme stelt dat er meerdere
zijn.
Mens en Dier: De relatie tussen menselijke wezens en andere levende
wezens op aarde.
Bewust en Onbewust: De delen van onze geest die we wel en niet direct
kunnen waarnemen of beheersen.
Vrijheid en Determinisme: De discussie over of onze acties bepaald worden
door factoren buiten onze controle (determinisme) of dat we vrij zijn om
keuzes te maken.
Doel- en Waardegericht Handelen: Het verschil tussen handelen om een
specifiek doel te bereiken en handelen gebaseerd op ethische of morele
waarden.
,De toonaangevende visies
Dualisme: geest (ziel) en lichaam worden tegenover elkaar geplaatst
Dualisme is het idee dat de geest (ziel) en het lichaam fundamenteel
verschillende substanties of entiteiten zijn. Dit betekent dat de geest en
het lichaam aparte entiteiten zijn, met elk hun eigen kenmerken en
functies.
Dit perspectief ziet de mens als een samensmelting van een onstoffelijke
geest of ziel en een fysiek lichaam. De geest wordt vaak gezien als de bron
van bewustzijn, rationaliteit en morele waarden, terwijl het lichaam
verantwoordelijk is voor fysieke handelingen en zintuiglijke ervaringen.
Dit standpunt komt vaak voor in de filosofie van Descartes, waarin hij de
geest en het lichaam ziet als twee verschillende substanties die op
mysterieuze wijze met elkaar in wisselwerking staan. Hij stelde dat de
geest en het lichaam twee fundamenteel verschillende substanties zijn,
waarbij de geest (res cogitans) de bron van bewustzijn is en het lichaam
(res extensa) verantwoordelijk is voor fysieke handelingen. Zijn beroemde
uitspraak "Cogito, ergo sum" ("Ik denk, dus ik ben") illustreert zijn nadruk
op de geest als de essentie van het individu.
Betrekkelijke Eenheid (Aristoteles; Christelijk Aristotelisme):
Dit perspectief stelt dat er een betrekkelijke eenheid ontstaat door de
inwerking van de vorm (ziel) op de stof (lichaam). In de Aristotelische
traditie wordt dit vaak gezien als het samenspel tussen de ziel (vorm) en
het lichaam (materie) om een eenheid te vormen.
Volgens Aristoteles vormt de ziel de vormende principes van het lichaam.
Het lichaam kan pas echt menselijk zijn wanneer het de ziel bezit, omdat
de ziel de functie van het lichaam bepaalt en het een doel geeft. Deze visie
benadrukt de eenheid van de menselijke ervaring, waarbij zowel lichaam
als geest essentieel zijn. In de christelijke Aristotelische traditie wordt deze
visie toegepast op het begrip van de mens als een eenheid van lichaam en
ziel, waarbij de ziel als het geestelijke aspect wordt gezien dat het lichaam
vorm geeft en het menselijke karakter bepaalt.
Aristoteles beschouwde de ziel als de essentie van het leven, de bron van
de menselijke functies en het doel van het menselijk bestaan. Aristoteles'
concept van eudaimonia (gelukzaligheid) benadrukt het streven naar het
vervullen van onze innerlijke aard, wat zowel lichamelijk als geestelijk is.
Christelijk Aristotelisme: In de Middeleeuwen werd Aristoteles' filosofie
geïntegreerd in het christelijke denken, waarbij de ziel werd gezien als een
goddelijke schepping die het lichaam vorm geeft. De ziel werd gezien als
onsterfelijk en verbonden met God, en het lichaam werd gezien als het
tijdelijke, aardse aspect van de mens.
Materialisme (Philosophy of Mind):
Materialisme is de opvatting dat alles, inclusief de geest, kan worden
teruggebracht tot materiële processen, zoals hersenprocessen. Dit
, perspectief benadrukt dat de geest en mentale processen uiteindelijk
voortkomen uit en te herleiden zijn tot fysieke processen in de hersenen.
Het menselijk bewustzijn, denken en emoties worden gezien als
voortvloeisels van neurologische activiteit.
Volgens materialisten moeten we ervan uit gaan dat we niets weten of
kunnen weten anders dan onze fysieke wereld, en we dus moeten uitgaan
van wat we daar kunnen vinden. Net als empiristen (en let op, empiristen
zijn vaak materialisten en vice versa) geloven materialisten dus in een
kenbare wereld die te ‘kennen’ is via waarnemingen en ‘wetten der
natuur’. Er is volgens materialisten niets Hogers boven dat wat materieel
is, geen ziel, geen God (tenzij deze materieel is, en dus gebonden aan de
weten der natuur, zoals zwaartekracht).
Swaab: “wij zijn ons brein, hersenen bepalen wie we zijn en wat we doen”
Daniel Denniz: “het bewust zijn is een illusie er is geen ziel alleen
hersentoestanden en hersenprocessen”
Thomas Hobbes: Hobbes wordt beschouwd als een van de grondleggers
van het moderne materialisme. Hij geloofde dat alles, inclusief menselijke
geest en emoties, uiteindelijk kon worden teruggebracht tot materiële
processen. Volgens Hobbes was de mens in wezen een complexe machine,
waarbij het menselijk gedrag en denken werden bepaald door de fysieke
interacties van het lichaam en de zintuigen met de omgeving. Zijn
materialistische visie benadrukte de rol van fysieke verlangens en
behoeften, zoals honger en dorst, bij het sturen van menselijk gedrag.
Karl Marx: Marx ontwikkelde het historisch materialisme, een
materialistische benadering van de geschiedenis en de maatschappij.Hij
geloofde dat de economische structuur van de samenleving, met name de
manier waarop productiemiddelen worden georganiseerd en
gecontroleerd, de basis vormt voor de sociale, politieke en culturele
structuren. Volgens Marx bepaalt de economische basis (de
productiekrachten en productieverhoudingen) de rest van de samenleving,
inclusief de politieke instituties en ideologieën.
Charles Darwin: Darwin's evolutietheorie wordt vaak gezien als een
materialistische verklaring voor de diversiteit van het leven. Hij stelde dat
alle levende organismen, inclusief de mens, voortkomen uit
gemeenschappelijke voorouders en dat de diversiteit van het leven kan
worden verklaard door natuurlijke selectie. Darwin's materialistische
benadering benadrukte de rol van natuurlijke processen, zoals overleving
van de fitste, bij het vormen van soorten en hun kenmerken.
Structuralisme:
Het structuralisme ziet de mens als een functioneel onderdeel van een
dominante structuur, zoals taal, cultuur, of maatschappelijke systemen. De
structuur (omgeving, disciplinering, sociale praktijk= normen en regels
binnen een samenleving) bepaalt welk gedrag normaal is en wie je bent.
Dit perspectief bekijkt individuen als gevormd en bepaald door de
structuren en systemen waarin ze leven. De nadruk ligt op de manier
waarop deze structuren de gedachten, handelingen en identiteit van
individuen vormgeven.