bedrijfseconomie
oefenvragen
H1 t/m H6
Stuvia document van Tessa
, Bedrijfseconomie vragen H1
1. Wat wordt verstaan onder financiering?
2. Noem twee voorbeelden van activa en twee voordelen van passiva.
3. Is de inbreng van €100.000 eigen geld door de eigenaar van een eenmanszaak in zijn
onderneming een vorm van interne financiering of van externe financiering?
Verklaar.
4. Wat is het verschil tussen vaste activa en vlotende activa?
5. Wat zijn liquide middelen?
6. Wat wordt verstaan onder goodwill?
7. Waarom moet een ondernemer de btw voorfinancieren?
8. Wat is het verschil tussen een gewone lening en een achtergestelde lening?
9. Wat is het verschil tussen lang vreemd vermogen en kort vreemd vermogen?
10. Wat wordt verstaan onder intensieve financiering?
11. Noem drie voorbeelden van intensieve financiering?
12. Wat is het verschil tussen gelijktijdige aanschaf van duurzame productiemiddelen en
voltijdige aanschaf?
13. Wat wordt verstaan onder de cashflow van een onderneming?
14. Waarom wordt eigen vermogen permanent vermogen genoemd?
15. Leg uit hoe een algemene reserve en een agioreserve ontstaat in een NV of BV.
16. Wat is dividend en in welke vormen kan het worden uitgekeerd?
17. Wat is de betekenis van een bedrag onder de post Privé aan de creditzijde van de
balans van een eenmanszaak?
18. Wat is het verschil tussen een commanditaire vennoot en een beherende vennoot in
een commanditaire vennootschap?
19. Noem drie verschillen tussen BV en een NV.
20. Wat is de taak van het centrum voor fondsenadministratie?
21. Wat is een global note?
22. Wat is keuzedividend?
23. Kan in een BV of NV het bedrag van aandelen in portefeuille hoger zijn dan het
bedrag van het maatschappelijke aandelenkapitaal? Motiveer je antwoord.
24. Hoe wordt de intrinsieke waarde van een aandeel berekend?
25. Kan de koerswaarde van een aandeel van een NV lager zijn dan de intrinsieke
waarde? Motiveer je antwoord.
26. Noem drie voorrechten die verbonden kunnen zijn aan preferente aandelen.