Inleiding
Een problematische opvoedingssituatie kan zowel intern als extern gedefinieerd worden:
o Intern gedefinieerd = een opvoeder
o Extern gedefinieerd = een buitenstaander (leerkracht, huisarts, politieman)
Een problematische opvoedingssituatie kan zowel het gevolg zijn van hoe opvoeders opvoeden, kenmerken van
het kind, de ouders of de bredere maatschappelijke context en de interactie tussen beide
o Primaire opvoedingsproblemen: de opvoeder ervaart onzekerheid over wat te doen in bepaalde
situaties en wat verwacht kan worden van kinderen van een specifieke leeftijd of in een specifieke
situatie
o Secundaire opvoedingsproblemen: de handelingsverlegenheid van de opvoeder is (mede) het gevolg
van kenmerken van het kind, de opvoeder of de context (beïnvloeden elkaar wederzijds)
Bij een problematische opvoedingssituatie is er sprake van een breuk in de afstemming tussen de pedagogische
vraag van het kind en het pedagogische aanbod van de opvoeder.
Orthopedagogiek
o Wetenschappelijke studie van het handelen in als problematisch omschreven opvoedingssituaties
Problemen bij kinderen en jongeren worden niet als individuele problematiek benaderd,
maar is interactioneel en ecologisch geaard (sociale context)
o Handelingswetenschap
2. Kinderen en jongeren met een leerstoornis
Leren in de ruime betekenis: nieuwe vaardigheden, gedragingen of kennis eigen maken
Of en hoe iemand leert is altijd het volg van een samenspel tussen de mogelijkheden (en beperkingen) van de
persoon en het aanbod van de omgeving.
o Als er tussen beide een kloof is, loopt het leren moeizaam (maar ook bij een optimale aansluiting kan
het leren verstoord zijn en blijven)
Leren in de enge betekenis: het leren van schoolse vaardigheden, zoals lezen, spellen en rekenen
Leerproblemen en leerstoornissen
Primaire leerproblemen of leerstoornissen (‘op zichzelf staande’) zijn het gevolg van specifieke problemen die
zich manifesteren in het leren van schoolse vaardigheden zelf, zonder dat in principe andere gebieden van de
ontwikkeling vertraagd hoeven te zijn (‘unexpected underachievement’).
Secundaire leerproblemen zijn het gevolg van omstandigheden buiten het leren van die vaardigheden zelf: in
de omgeving van het kind of in een ander probleem in het kind zelf (bv. beperking, gedrags- of emotioneel
probleem)
o Zonder die omgevingsfactoren of dat probleem zou er geen leerprobleem zijn: het leerprobleem komt
op de ‘tweede plaats’
Vroeger werd het discrepantiecriterium gebruikt in de diagnostische operationalisering van leerstoornissen.
o Dit verwees naar een duidelijk en meetbaar verschil tussen het reële niveau van de lees-, spelling- of
rekenvaardigheid enerzijds en het niveau dat verwacht kon worden op basis van intelligentie
anderzijds
Echter bleek er een lage correlatie te zijn tussen intelligentie en schoolvordering. Hierom is het vervangen door
een combinatie van drie criteria:
1. Achterstandscriterium
2. Hardnekkigheidscriterium/criterium van didactische resistentie (instructie-ongevoelig)
‘Response-to-instruction/intervention’ model:
Instructie en oefening in de klas
Geprotocolleerd aanbod van differentiatie
Individuele remediërende leerhulp
, Volgens de DSM-5 moeten de problemen minstens 6 maanden persisteren ondanks adequate
hulp
3. Exclusiviteitscriterium: andere oorzaken moeten uitgesloten zijn/worden
De hardnekkige leerproblemen mogen niet volledig verklaard worden door andere condities
in of buiten de leerling in kwestie → de leerproblemen zijn ernstiger dan men op basis van de
ongunstige condities kan verwachten
Comorbiditeit: meerdere labels/stoornissen bij één persoon
Dyslexie : leerstoornis meestal in combinatie en benoemd als dyslexie
Dysorthografie : spellingsstoornis
Dyscalculie : rekenstoornis
Procedurele type: ernstige problemen met het leren en vlot en/of accuraat toepassen van rekenprocedures
Geheugen type: ernstige problemen met het leren en vlot en/of accuraat ophalen van rekenfeiten
Prevalentiecijfers van leerstoornissen variëren heel sterk:
o De onderzochte populatie (leeftijdscategorie, vorm van onderwijs)
o Gebruikte definities en de daarop gebaseerde criteria en instrumenten
o De tijdsperiode van het prevalentieonderzoek i.v.m. ontwikkeling van de wetenschap
Ernstige lees-, spelling- en rekenproblemen komen heel vaak samen voor (comorbiditeit)
Bij kinderen met een leerstoornis komen meer gedrags- en emotionele problemen, zoals
aandachtstekortstoornissen met hyperactief gedrag en depressies, voor dan bij de doorsnee populatie (en vice
versa)
o Interactionele benadering: het leren van schoolse vaardigheden en het psychosociaal functioneren
van kinderen staan in een continue wisselwerking
Wat zijn de tussenliggende factoren die de interactie in positieve dan wel in negatieve zin
beïnvloeden?
Sociaal-emotioneel welbevinden speelt hierin een cruciale rol (leermotivatie,
zelfconcept, zelfvertrouwen, attributie van falen en succes, zelfbesturing)
↓ s-ew = ↑ risico op gedrags- en emotionele problemen
↑ s-ew = ↓ risico op gedrags- en emotionele problemen
S-ew is sterk onderhevig aan beïnvloeding door de omgeving (ouders, leerkrachten,
leeftijdgenoten)
→ kan dus protectief en bevorderend werken, indien deze slaagt om de basale
psychologische behoeften te vervullen (autonomie, competentie en relatie)
Aandachtstekortstoornissen met hyperactief gedrag : ADHD (Attention Deficit Hyperactivity Disorder)
Met betrekking tot de motorische ontwikkeling, worden kinderen met een leerstoornis vaker geconfronteerd
met coördinatieontwikkelingsstoornissen: ernstige problemen met de motorische coördinatie (dingen laten
vallen, houterigheid, zwakke sportprestaties, slecht handschrift) die ook blijken uit een aanmerkelijke vertraging in
het bereiken van mijlpalen in de motorische ontwikkeling (lopen, kruipen, zitten), en die niet toe te schrijven zijn
aan een algemene medische aandoening of een pervasieve ontwikkelingsstoornis
Dyslexie is een fonologische deficit (klanken) → de fonologische stoornis blijkt vaak dan ook een
vroegkinderlijke voorloper van een latere dyslexieontwikkeling.
Oorzaken van leerstoornissen
o Genetische benadering
Erfelijkheid m.b.v. stamboomonderzoek, adoptie- en tweelingstudies
Systematisch onderzoek: gedragsfenotype
Velo-cardio-faciaal syndroom: rekenproblemen
Neurofibromatose: lees- en spellingsproblemen
Alle bevindingen op dit gebied zijn nog niet eenduidig en dringen aan tot verder onderzoek
, o Neuro(psycho)logische benadering: leerstoornissen zijn een gevolg van tekorten in sommige
neuropsychologische vaardigheden en hun neurologisch substraat.
Onderzoek naar het belang van heel specifieke hersenzones m.b.v. beeldvormingstechnieken
Verschil aangetoond tussen lezers met en zonder dyslexie m.b.t. de hersenregio’s in
de linkerhemisfeer (deel van het neuraal leesnetwerk)
+ Figuur 2.1 p. 70
Hersenen zijn niet specifiek voorbestemd om te kunnen lezen, hierom is onderzoek naar hoe het
neuraal leesnetwerk door leesinstructie tijdens de ontwikkeling van kinderen tot stand komt en waar
het in dit proces bij personen met dyslexie fout begint te lopen, van uitermate belang voor het
begrijpen van de neurale basis van dyslexie.
o Cognitieve benadering: twee invalshoeken
1. Ontwikkelingspsychologie: leren is een groeiproces, waarin vaardigheden in een relatief vaste
volgorde worden verworven
Fasen, waarbij de volgende fasen voortbouwen op de verworvenheden van de vorige
2. Informatieverwerkingstheorie: leren is een verwerkingsproces, waarbij informatie uit de
omgeving gebruikt en verwerkt wordt om nieuwe kennis op te doen of vaardigheden zoals lezen,
spellen of rekenen te verwerven. Tegelijkertijd worden lezen, spellen en rekenen ook beschouwd
als een specifieke vorm van informatieverwerking
+ Figuur 2.2 p. 73
Oplossingsstrategieën:
Procedurele/’back-up’ strategieën: het volgen van een bepaalde oplossingsweg in
verschillende stappen
Geheugen/’retrieval’ strategieën: het onmiddellijk beschikken over de juiste
oplossing in het langetermijngeheugen = automatisering
Actueel onderzoek legt meer en meer verband tussen de genetische factoren, de ontwikkeling van de hersenen
en de cognitieve processen die een rol spelen. Deze interdisciplinaire samenwerking is noodzakelijk om op dit
terrein verdere inzichten te kunnen verwerven.
Veelvoorkomende vormen van diagnostiek met betrekking tot kinderen met leerstoornissen
o Classificerende diagnostiek: met als doel ome en bepaald probleem te kunnen onderkennen als
behorend tot één of ander type
o Verklarende diagnostiek: gericht op het verklaren va het probleemgedrag
o Handelingsgerichte diagnostiek: erop gericht beslissingen over behandeling te ondersteunen (ruimer
dan het constateren)
Maakt gebruikt van een procedureel model waarin empirische kennis over de verklaring van
leerstoornissen en over de effectiviteit van behandelingsmethoden geïntegreerd worden
De verschillende vormen sluiten elkaar niet uit
Handelingsgerichte diagnostiek kent verschillende niveaus:
1. Taakniveau: niveaubepaling aangevuld met de verzameling van concreet lees-, spelling- of
rekengedrag, probleemgeschiedenis
2. Procesonderzoek: algemeen cognitieve processen die van invloed kunnen zijn op het ontstaan of op
de instandhouding van het probleem (‘verklaring’)
Neuropsychologische functies, informatieverwerkingsproces, intelligentie onderzoek,
medisch-neurologisch onderzoek
Behandeling leerstoornissen
o Moet vanuit een pedagogisch perspectief vorm krijgen
Hoe het opvoedings- en onderwijsaanbod thuis en op school bijsturen tot een betere
afstemming met de behoeften van het kind/de jongere
o Taakgerichte benadering: een theoretisch model omtrent het lees-, spelling- of rekenproces en de
behandeling wordt gestuurd door instructieprincipes
Directe instructie: leerinhoud gedetailleerd opsplitsen in deelstappen die dan zeer
gestructureerd en systematisch ingeoefend worden, om daarna opnieuw tot een geheel
geïntegreerd te worden
Veelvuldige oefening, regelmatige feedback, sturende didactiek
, Strategie-instructie: systematisch aanleren van de oplossingsstrategieën en de
verantwoording ervan
Kleine, interactieve groepen, leraar als model, meta-cognitieve vaardigheden
Deze twee gecombineerd werkt het meest efficiënt.
Men zoekt welke vaardigheden het kind of de jongere niet beheerst en geeft hulp tot deze
beheerst zijn = remediëren
Maar ze moeten ook kunnen ‘compenseren’: middelen en strategieën aanreiken
waardoor ze de taak aankunnen, ondanks hun tekorten
Dispenseren: (tijdelijk) van bepaalde opdrachten ontslaan (mondeling i.p.v. schriftelijk examen)
Stimuleren en motiveren
Contexten van behandeling:
o School: differentiatie
o Speciaal onderwijs
o Externe diensten: klinieken, vrijgevestigde praktijken
4. Kinderen en jongeren met een autismespectrumstoornis
Een autismespectrumstoornis is een neurobiologische ontwikkelingsstoornis, die gekenmerkt wordt door
persistente problemen in sociale communicatie en sociale interactie in combinatie met een beperkt, repetitief
patroon van gedragingen, interesses of activiteiten.
o Werd vroeger gezien als de voorloper van een volwassen psychose
Eerder werd er gebruik gemaakt van verschillende ‘atypische autisme’ classificaties. Deze bleken echter
genetisch vergelijkbaar en de gedragskenmerken van een persoon, en dus ook de classificatie, kunnen
verschuiven.
Daarom is er vanaf DSM-5 (2013) een meer dimensionele benadering: autismespectrumstoornis
(spectrum = heel divers)
Volgens DSM-5 dient voor een diagnose autismespectrumstoornis voldaan te worden aan de volgende criteria:
A. Persistente tekorten in de sociale communicatie en de sociale interactie in verschillende contexten,
waarbij de volgende drie aanwezig moeten zijn:
Tekorten in sociaal-emotionele wederzijdsheid
Tekorten in het non-verbale communicatieve gedrag voor sociale interactie
Tekorten in het aangaan, onderhouden en begrijpen van relaties
B. Beperkte, repetitieve patronen van gedrag, interesses of activiteiten, zoals blijkt uit ten minste twee
van de volgende:
Stereotiepe of repetitieve bewegingen, gebruik van voorwerpen of spraak
Weerstand tegen verandering, inflexibel vasthouden aan routines of geritualiseerde patronen
van verbaal of non-verbaal gedrag, buitensporige weerstand tegen veranderingen
Zeer beperkte, gefixeerde interesses die abnormaal zijn inzake intensiteit of focus
Hyper- of hyporeactiviteit op sensorische prikkels of ongewone interesse in sensorische
aspecten van de omgeving
C. De symptomen moeten reeds vanaf de vroege kindertijd aanwezig zijn
D. De symptomen veroorzaken klinisch significante beperkingen in het sociale of beroepsmatige
functioneren of op andere belangrijke domeinen van het huidige functioneren
E. Deze problemen worden niet beter verklaard door een verstandelijke beperking of een globale
ontwikkelingsvertraging. Verstandelijke beperking en autismespectrumstoornis komen frequent
samen voor; om een dubbeldiagnose van beide te stellen moet de sociale communicatie zwakker zijn
dan veracht op basis van het algemene ontwikkelingsniveau.
In DSM-5 worden drie gradaties van ernst onderscheiden:
Niveau 1 : ondersteuning nodig
Niveau 2 : substantiële ondersteuning nodig
Niveau 3 : zeer substantiële hulp nodig
In een aantal gevallen moet men bijkomende specificaties geven, namelijk:
o Al dan niet in combinatie met een verstandelijke beperking
o Al dan niet in combinatie met een taalstoornis