MATERIEEL STRAFRECHT WEEK 1
TOT 7
IJZERDRAAD
HR 23 februari 1954. Het IJzerdraad arrest heeft betrekking op het daderschap
van natuurlijke personen. In deze zaak ging het om de vraag wanneer een
werkgever voor gedragingen van zijn werknemers strafrechtelijk aansprakelijk
kan worden gesteld. In casu vulde een medewerker van een ijzerdraadbedrijf
opzettelijk formulieren foutief in om zo een exportvergunning te krijgen. Zijn
baas was hier niet van op de hoogte maar werd wel vervolgd voor dit strafbare
feit.
De Hoge Raad heeft in dit arrest criteria bepaald wanneer een functionele dader
strafbaar is. Het is niet zo dat omdat je die functie hebt, je ook strafbaar bent. De
Hoge Raad vereist voor het toerekenen van gedragingen aan de natuurlijke
persoon dat hij de beschikkingsmacht over de fysieke gedraging heeft, de
werkgever had over de handelingen van de ondergeschikte moeten kunnen
beschikken, doordat hij de handelingen aan de ondergeschikte heeft
gedelegeerd of overgedragen. Ten tweede is vereist dat er een zekere
aanvaarding van die gedraging is gedaan door de natuurlijke persoon, de
werkgever wist dat de strafbare handeling plaatsvond of wist dat het in het
algemeen op een dergelijke manier gebeurt. Het gaat hier dus om een
beschikkingscriterium en een aanvaardingscriterium.
De rechtsregel is hier dus dat een verdachte voor strafbare feiten van zijn
ondergeschikte kan worden veroordeeld indien aan het beschikkings- en
aanvaardingscriterium wordt voldaan. Wanneer aan beide criteria wordt voldaan
is er sprake van functioneel daderschap.
ONBEHOORLIJK GEDRAG
HR 2 april 1985. In dit arrest ging het om het gebod van toegankelijke en
scherpe normen, het lex certa beginsel, onderdeel van het legaliteitsbeginsel.
Ter discussie stond hier of een deel van de delictsomschrijving, ‘onbehoorlijk’, te
vaag was. De Hoge Raad oordeelde dat er hier geen sprake was van een te vaag
begrip. In casu legde een vrouw haar geschoeide voeten op een stoel te
Rotterdam Centraal en werd hierop aangesproken door de spoorwegpolitie. De
vrouw schold de agent uit en weigerde het station te verlaten, en werd vervolgd
voor art. 4 Algemeen Regelement voor Vervoer op de Spoorwegen wat het
vertonen van onbehoorlijk gedrag omvat.
Er werd hier door de verdediging geclaimd dat ‘onbehoorlijk gedrag’ een te vage
omschrijving is. De Hoge Raad oordeelde hier dat het artikel niet in strijd is met
1
,het legaliteitsbeginsel. In het artikel wordt er gesproken over gedrag op stations
en in treinen en hiermee is de norm voldoende geconcretiseerd. Daarnaast
maakt de Hoge Raad duidelijk dat het in sommige situaties onvermijdelijk is om
vage termen te gebruiken in delictsomschrijvingen en er naar de
omstandigheden van het geval moet worden gekeken of het niet te vaag is. Of
een bepaalde vaagheid is toegestaan hangt ervan af of de vaagheid
onvermijdelijk is.
De rechtsregel is hier dus dat een delictsomschrijving volgens het
legaliteitsbeginsel voldoende concreet moet zijn om een gedraging strafbaar te
laten zijn. Echter is het in sommige situaties onvermijdelijk om vage termen te
gebruiken in delictsomschrijvingen.
LEGALITEIT IN STRAATSBURG
EHRM 22 november 1995. In deze casus gaat het om een Brits echtpaar dat van
plan was om een echtscheiding aan te vragen. De vrouw was met haar zoon bij
haar ouders ingetrokken, en de man drong 22 dagen nadat zij dat had gedaan
binnen in dit huis en probeerde tegen de wil van de vrouw in seksuele
gemeenschap met haar te hebben. Hierbij maakte hij gebruik van geweld. De
man werd onder meer vervolgd voor verkrachting, maar in Engeland was op dat
moment verkrachting binnen het huwelijk niet strafbaar.
Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens heeft hier geoordeeld dat
verkrachting binnen het huwelijk strafbaar is. In beginsel is dit naar Engels recht
dus niet strafbaar, maar strafbaarstelling levert volgens het Hof geen schending
van art. 7 EVRM, het legaliteitsbeginsel op.
RUNESCAPE
HR 31 januari 2012. In het Runescape-arrest is naar voren gekomen door middel
van uitgebreid interpreteren dat diefstal van virtuele goederen ook mogelijk is.
In casu was er sprake van twee verdachten die het slachtoffer met geweld en
bedreiging dwongen om zich aan te melden op zijn account van het online spel
Runescape en virtuele objecten over te dragen aan de verdachte waardoor het
slachtoffer de beschikkingsmacht over deze objecten is verloren. Er wordt hier
vervolgd voor diefstal in de zin van art. 310 Sr. Nu is het de vraag of virtuele
objecten aan te merken zijn als een ‘goed’ in de zin van art. 310 Sr.
Volgens de Hoge Raad is dit zo, de virtuele objecten waarover het slachtoffer de
feitelijke en exclusieve heerschappij had, hadden voor zowel hem, verdachte als
medeverdachte een reële waarde. Eerdere rechtspraak, het Elektriciteits-arrest,
heeft bepaald dat ook niet-stoffelijke objecten onder ‘goed’ kunnen vallen, de
Hoge Raad oordeelt hier dat ook de virtuele aard van de objecten op zichzelf niet
eraan in de weg staat dat deze kunnen worden aangemerkt als een goed in de
zin van art. 310 Sr.
ART. 1 LID 2 SR EN VERJARING
2
, HR 29 januari 2010. In deze casus is de verweerder veroordeeld voor oplichting
in 1998 tot het betalen van schadevergoeding, ter vervanging van 360 dagen
hechtenis. Deze schadevergoeding wordt niet bepaald en de verweerder wordt in
2007 aangehouden om de vervangende hechtenis te ondergaan. Verweerder
vordert een verbod op de tenuitvoerlegging omdat het misdrijf oplichting in 1998
was begaan en een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren op stond,
waardoor de verjaringstermijn acht jaren bedroeg. Hierdoor zou het recht tot
tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis zijn vervallen op 22 juni 2006.
1 februari 2006 is echter de maximumstraf voor het betreffende delict
opgehoogd tot vier jaren, waardoor de verjaringstermijn zestien jaren is
geworden.
De rechtsvraag luidt hier of het recht tot tenuitvoerlegging van de veroordeling
is vervallen. De Hoge Raad oordeelt dat in geval van verandering van wetgeving
met betrekking tot de verjaring geldt er als uitgangspunt dat de verandering
direct van toepassing is, en dat een reeds voltooide verjaring wordt
geëerbiedigd. Op het moment van de intreding van de wetswijziging was de
verjaringstermijn nog niet verstreken, daardoor is de verjaringstermijn veranderd
naar 16 jaren en is het recht tot uitvoering van de straf nog niet vervallen.
VERJARING
HR 16 februari 2010. In deze casus wordt de verdachte vervolgd voor een
oplichting, gepleegd in 1995. Toentertijd was er op oplichting een
gevangenisstraf gesteld van ten hoogste drie jaren. Sinds wetswijziging in 2006
is de gevangenisstraf verhoogd naar ten hoogste vier jaren, waardoor ook de
verjaringstermijn is verhoogd.
De rechtsvraag luidt hier of de officier van justitie ontvankelijk is of dat zijn recht
op vervolging zou zijn verjaard. De Hoge Raad oordeelt dat art. 72 lid 1 Sr stelt
dat elke daad van vervolging de verjaring stelt, mits de daad de vervolgde
bekend of hem bekend is. Het blijkt dat er niet in de gedurende zes jaar
voorafgaand een daad van vervolging is verricht en de verjaringstermijn is
vervuld. De officier van justitie moet hier niet-ontvankelijk worden verklaard.
VEEARTS
HR 20 februari 1933. De Hoge Raad erkende de het ontbreken van de materiele
wederrechtelijkheid als strafuitsluitingsgrond. Hier is echter later geen beroep
meer op erkend vanwege de verregaande consequenties voor de rol van de
rechter binnen de trias politica.
In casu is er sprake van een veearts die gezonde koeien opzettelijk besmet heeft
laten raken met mond-en-klauwzeer om deze immuun te maken voor de ziekte.
Volgens de Veewet pleegde hij hier een strafbaar feit door het opzettelijk
besmetten van het vee. De rechtsvraag luidt hier of er bij het handelen in strijd
met een wetsbepaling gesproken kan worden van een strafuitsluitingsgrond
indien het handelen het doel dat de wettelijke bepaling beoogd beter dient?
De Hoge Raad oordeelde dat een veearts de taak heeft om de
gezondheidstoestand van het vee te bevorderen. Hij handelt door in strijd met de
3