Economie vraag en aanbod
Soorten markten (door economen onderscheiden)
- Goederenmarkt
- dienstenmarkt
- vermogensmarkt
- valutamarkt
Abstracte Markt: Geheel van vraag en aanbod van een product, niet bezoekbaar
Concrete markt: een markt waar je heen kunt om te handelen
Op elk product zit een marge (verschil tussen inkoop- en verkoopprijs)
Vraag - Vraag naar goederen en diensten door consumenten -> goederen en
diensten
QV = vraagfunctie, als P (prijs) stijgt daalt QV
Prijselasticiteit (EPV)
hoe reageert de consument op een prijsverandering
Formule: Verandering van de vraag (gevolg) % : Verandering van prijs (oorzaak) %
Ezelsbruggetje! Quarter/pounder Harry/potter
Uitkomsten
tussen -1 en 1 -> inelastisch
Kleiner dan -1 / groter dan 1 -> elastisch
0 volkomen inelastisch (prijs heeft geen invloed op vraag)
Let op! Bij een elastische vraag reageert de vraag meer dan evenredig op prijs
- = altijd een negatief verband tussen prijs en hoeveelheid
Kruislingse elasticiteit (EK)
laat zien hoe de gevraagde hoeveelheid van goed B reageert op een
prijsverandering van goed A
Formule: verandering van vraag goed B % / verandering van vraag goed A%
Negatieve uitkomsten: Complementair goed (vult elkaar aan)
- koffie - koffiemelk
- auto - benzine
Positieve uitkomst: substitutiegoed (vervangt elkaar)
- auto - trein
- pepsi - cola
,Productie van een spijkerbroek
- tussen elke schaal bevindt zich een markt
- elke schakel verdient een marge
- bedrijfskolommen zijn verbonden
Parallellisatie
- Als een bedrijf zich op meerdere bedrijfskolommen richt (HEMA)
Specialisatie
- Als een bedrijf zich op 1 bedrijfskolom gaat richten (Reussport)
Integratie
- Als bedrijven meerdere schakels binnen eigen bedrijfskolom omvatten
(grotere kledingmerken)
Differentiatie
- Als bedrijven meerdere schakels afgestoten zodat het niet zelf stoffen maakt
maar inkoopt
Berovingsprobleem
- Als er na het afsluiten contract een machtsverhouding ontstaat v.b C&A
Omzet = PxQ
TK = variabele kosten + constante kosten
Winst = omzet - kosten
afzet = aantal verkochte producten
Constante kosten (TCK)
- Onafhankelijk van productie (afschrijvingskosten, huur)
Variabele kosten (TVK)
- Afhankelijk van productie (inkoop grondstoffen, loon)
Gemiddelde totale kosten (GTK)
GTK = GVK + GCK
GVK = TVK/Q
GCK = TCK/Q
TK = TCK + TVK
TVK = TVK x Q
Proportioneel: Variabele kosten stijgen gelijk met Q
Progressief: Variabele kosten stijgen met meer dan Q
Degressief: Tegenovergesteld ^
Marginale opbrengst
- De extra opbrengst bij uitbreiding van de productieomvang met 1 eenheid
Marginale kosten
- De extra kosten bij uitbreiding van de productieomvang met 1 eenheid
Maximale winst
, - wordt behaald bij MO=MK want een verdere uitbreiding van de
productieomvang leidt niet tot extra opbrengst (alleen tot extra kosten)
Externe effecten
Positief
- Toerisme -> werkgelegenheid
- Voetbalwedstrijd -> meer omzet horeca
- Grote industriële bedrijven vestigen zich -> meer werk
Negatief
- Toerisme -> meer vervuiling
- Voetbalwedstrijd -> vandalisme
- Grote industriële bedrijven vestigen zich -> meer vervuiling
Kosten die niet in de prijs zijn meegerekend
- Schoonmaken van vervuilde grond
- Betalen van vernielingen
Interne kosten -> grondstoffen
Externe kosten -> kosten buiten grondstoffen om
Spijkerbroek te koop
Het aanbod
- Wat aangeboden wordt door producenten
- positief verband (bij hoge prijs = meer aanbod = meer winst)
Aanbodlijn = altijd linksonder -> rechtsboven
Vraaglijn = linksboven -> rechtsonder
Prijselasticiteit van aanbod (EA)
Geeft aan hoe sterk aanbod reageert op prijsverandering
Procentuele ^ van aanbod / Procentuele ^ verkoopprijs
Vraag naar arbeid -> werkgevers
Aanbod van arbeid -> werknemers
Loonelasticiteit (EL)
- hoe reageert aanbod van arbeid op verandering van loon %
Formule: % ^ hoeveelheid / % ^ verandering
Loonelasticiteit is vaak inelastisch omdat verandering van loon niet direct tot
verandering van arbeidsaanbod leidt (studietijd)
Loonkosten per product = loonkosten per werknemer/arbeidsproductiviteit
Hoe lager de loonkosten hoe hoger de winst
Soorten markten (door economen onderscheiden)
- Goederenmarkt
- dienstenmarkt
- vermogensmarkt
- valutamarkt
Abstracte Markt: Geheel van vraag en aanbod van een product, niet bezoekbaar
Concrete markt: een markt waar je heen kunt om te handelen
Op elk product zit een marge (verschil tussen inkoop- en verkoopprijs)
Vraag - Vraag naar goederen en diensten door consumenten -> goederen en
diensten
QV = vraagfunctie, als P (prijs) stijgt daalt QV
Prijselasticiteit (EPV)
hoe reageert de consument op een prijsverandering
Formule: Verandering van de vraag (gevolg) % : Verandering van prijs (oorzaak) %
Ezelsbruggetje! Quarter/pounder Harry/potter
Uitkomsten
tussen -1 en 1 -> inelastisch
Kleiner dan -1 / groter dan 1 -> elastisch
0 volkomen inelastisch (prijs heeft geen invloed op vraag)
Let op! Bij een elastische vraag reageert de vraag meer dan evenredig op prijs
- = altijd een negatief verband tussen prijs en hoeveelheid
Kruislingse elasticiteit (EK)
laat zien hoe de gevraagde hoeveelheid van goed B reageert op een
prijsverandering van goed A
Formule: verandering van vraag goed B % / verandering van vraag goed A%
Negatieve uitkomsten: Complementair goed (vult elkaar aan)
- koffie - koffiemelk
- auto - benzine
Positieve uitkomst: substitutiegoed (vervangt elkaar)
- auto - trein
- pepsi - cola
,Productie van een spijkerbroek
- tussen elke schaal bevindt zich een markt
- elke schakel verdient een marge
- bedrijfskolommen zijn verbonden
Parallellisatie
- Als een bedrijf zich op meerdere bedrijfskolommen richt (HEMA)
Specialisatie
- Als een bedrijf zich op 1 bedrijfskolom gaat richten (Reussport)
Integratie
- Als bedrijven meerdere schakels binnen eigen bedrijfskolom omvatten
(grotere kledingmerken)
Differentiatie
- Als bedrijven meerdere schakels afgestoten zodat het niet zelf stoffen maakt
maar inkoopt
Berovingsprobleem
- Als er na het afsluiten contract een machtsverhouding ontstaat v.b C&A
Omzet = PxQ
TK = variabele kosten + constante kosten
Winst = omzet - kosten
afzet = aantal verkochte producten
Constante kosten (TCK)
- Onafhankelijk van productie (afschrijvingskosten, huur)
Variabele kosten (TVK)
- Afhankelijk van productie (inkoop grondstoffen, loon)
Gemiddelde totale kosten (GTK)
GTK = GVK + GCK
GVK = TVK/Q
GCK = TCK/Q
TK = TCK + TVK
TVK = TVK x Q
Proportioneel: Variabele kosten stijgen gelijk met Q
Progressief: Variabele kosten stijgen met meer dan Q
Degressief: Tegenovergesteld ^
Marginale opbrengst
- De extra opbrengst bij uitbreiding van de productieomvang met 1 eenheid
Marginale kosten
- De extra kosten bij uitbreiding van de productieomvang met 1 eenheid
Maximale winst
, - wordt behaald bij MO=MK want een verdere uitbreiding van de
productieomvang leidt niet tot extra opbrengst (alleen tot extra kosten)
Externe effecten
Positief
- Toerisme -> werkgelegenheid
- Voetbalwedstrijd -> meer omzet horeca
- Grote industriële bedrijven vestigen zich -> meer werk
Negatief
- Toerisme -> meer vervuiling
- Voetbalwedstrijd -> vandalisme
- Grote industriële bedrijven vestigen zich -> meer vervuiling
Kosten die niet in de prijs zijn meegerekend
- Schoonmaken van vervuilde grond
- Betalen van vernielingen
Interne kosten -> grondstoffen
Externe kosten -> kosten buiten grondstoffen om
Spijkerbroek te koop
Het aanbod
- Wat aangeboden wordt door producenten
- positief verband (bij hoge prijs = meer aanbod = meer winst)
Aanbodlijn = altijd linksonder -> rechtsboven
Vraaglijn = linksboven -> rechtsonder
Prijselasticiteit van aanbod (EA)
Geeft aan hoe sterk aanbod reageert op prijsverandering
Procentuele ^ van aanbod / Procentuele ^ verkoopprijs
Vraag naar arbeid -> werkgevers
Aanbod van arbeid -> werknemers
Loonelasticiteit (EL)
- hoe reageert aanbod van arbeid op verandering van loon %
Formule: % ^ hoeveelheid / % ^ verandering
Loonelasticiteit is vaak inelastisch omdat verandering van loon niet direct tot
verandering van arbeidsaanbod leidt (studietijd)
Loonkosten per product = loonkosten per werknemer/arbeidsproductiviteit
Hoe lager de loonkosten hoe hoger de winst