Zintuigelijke input
Alle perifeer liggende zintuigen zijn via het perifere zenuwstelsel verbonden met het centraal
zenuwstelsel. Deze verbindingen bestaan uit bundels van honderden sensorische en sensibele
zenuwvezels. Vezels die de impulsen geleiden naar het centraal zenuwstelsel toe worden afferent
genoemd. Deze kunnen intreden in het ruggenmerg, hersenstam of direct in de hersenen als het oog
of de reukzin.
Sensor -> perifere zenuw -> centraal zenuwstelsel
Een perifere zenuw bestaat uit gebundelde uitlopers van neuronen. Langs de wand van de zenuwcel
wordt de impuls doorgegeven door verandering van de membraanpermeabiliteit. Hierbij stromen
natriumionen uit de omgeving de cel in waardoor het elektrische potentiaalverschil tussen de
binnenkant en de buitenkant van de zenuwcel verandert. Deze verandering breidt zich uit langs de
uitlopers van een zenuwcel.
Perifere zenuwen bevatten twee typen zenuwvezels: snelle (type A) en trage (type C)
De plaats van prikkel overdracht is een synaps. Hierbij worden de impulsen van afferente en
efferente signalen doorgegeven aan andere zenuwcellen. Hier wordt het elektrisch signaal omgezet
in een chemisch signaal: de neurotransmitter. In de presynaptische cel zijn neurotransmitters
opgeslagen in kleine synaptische blaasjes. Bij een zenuwimpuls komen ze snel uit de cel vrij en
diffunderen ze over de synapsspleet naar de receptoren die aan de buitenkant van de ontvangende
cel zitten. Daardoor wordt een verandering van de membraanpotentiaal in de ontvangende zenuwcel
in gang gezet. Afbraak van neurotransmitters vindt plaats door enzymen die in de synaps aanwezig
zijn. Sommige neurotransmitters worden ook heropgenomen en hergebruikt.
Het lichaam heeft een pijn onderdrukkend systeem (fight or flight). Dit gebeurt door het vrijmaken
van speciale en krachtige neurotransmitters, zoals endorfine, die de synapsen van de pijnbaan
tijdelijk blokkeren. Hierdoor bereiken minder pijnsignalen de sensorische schors. Deze endorfinen
zijn niet alleen pijn onderdrukkend maar brengen ook euforie.
Hoge cerebrale functies
Inkomende impulsen kunnen twee richtingen op. Horizontaal worden de impulsen overgebracht naar
een motorische neuron in het ruggenmerg dat voor de uitgaande impuls zal zorgen. De verticale
route naar de hersenen leidt tot bewustwording en willekeurige reacties. De horizontale route is een
reflex, dit is een eenvoudige motorische respons op een bepaalde prikker. Dit kan op meerdere
niveaus: spinaal en hersenstam. De verticale route brengt de impulsen via het ruggenmerg naar de
hersenstam en het cerebellum. Daar liggen op verschillende niveaus complexe netwerken van
schakelneuronen voor een verdere impulsverwerking.
Horizontale en verticale impulsroute zijn via de volgende stappen te onderscheiden:
1. Prikkelvorming (sensoren in huid, spieren en organen);
2. Afferente (sensorische) prikkelgeleiding via perifere zenuwen naar het centraal zenuwstelsel;
3. Verwerking en neurale integratie in het centraal zenuwstelsel;
4. Efferente (motorische) impulsen via perifere zenuwen naar spieren en/of klieren;
5. Spiercontractie en/of kliersecretie en sensorische re-afferente feedback uit zintuigcellen.
, Neurale netwerken bestaan uit lokale gebieden met clusters van zenuwcellen en korte of lange
bundels van zenuwvezels die deze hersenonderdelen onderling verbinden. De inkomende impulsen
worden verwerkt tot eindproduct, gedachte/uitspraak.
Na de sensorische ontvangst krijgen de prikkels een bijpassende emotie en betekenis (cognitief). Dit
alles geeft dan een motorische reactie in het willekeurig bewegen, de houding en bewegingsreflexen
en in de interne organen.
Cortex: bewustzijn
- Occipitaal: visuele schors;
- Frontaal: intellectuele activitien, motorische schors en motorisch taalcentrum;
- Temporaal: auditieve schors, sensorische taalcentrum;
- Parientaal: sensorische schors.
Verbindingen hersenzenuwen:
- N II opticus: impulsen netvlies naar schors;
- N III oculomotorius: besturing pupillen en oogspieren;
- N V trigeminus: impulsen gezicht naar brein;
- N VII vestibulocochlearis: impulsen oor naar brein;
- N X vagus: strottenhoofd en ingewanden.
Diepe brein:
- Limbisch systeem: emotie, motivatie en genot;
- Basale kernen;
- Thalamus: schakelcentrum;
- Hypothalamus: meetcentrum temperatuur, osmolariteit.
Hersenstam:
- Regulatie slaap-waak cyclus;
- Reflexmatige oogbewegingen;
- Controleren pupilgrootte;
- Huilen;
- Plassen;
- Kauwen, slikken, vormen van speeksel;
- Chemoreceptor trigger zone;
- Braakcentrum;
- Ademcentrum;
- Bloeddrukregulatiecentrum;
- Regulatie spijsverteringscentrum;
- Basale vormen van horen.
In neurale netwerken bestaan schakelingen (synapsen) met bijbehorende neurotransmitters. Deze
stimuleren de activiteit van een zenuwcel maar kunnen deze activiteit ook remmen. Een belangrijk
stimulerende neurotransmitter is glutamaat, de belangrijkste remmende neurotransmitter is GABA
(gamma amino benzoic acid). Een verstoring van de natuurlijke verhoudingen tussen stimulerende
(exciterende) en remmende (inhiberende) neuronen is mogelijk een oorzaak van epilepsie.
Stoffen die die de werking van neurotransmitters stimuleren noemen we antagonisten. Stoffen die de
werking remmen heten antagonisten. Er zijn ook stoffen die de activiteit van de afbreekenzymen
stimuleren of remmen, deze stoffen hebben dus indirect ook invloed op de activiteit van
neurotransmitters.