Hoofdstuk 9 - Gedragsbiologie
De studie van het gedrag van dieren heet ook wel ethologie of gedragsbiologie. Gedrag betekent
droog gezegd ‘alles wat een dier doet’. De heersende opvatting in de jaren twintig en dertig was het
behaviorisme; een dier (en mens) wordt geboren als een 'onbeschreven blad' en alles moest leren.
De drie 'vaders' van de ethologie zijn Konrad Lorenz, Nico Tinbergen en Karl von Frisch (Nobelprijs
1977).
Gedrag wordt bepaald door genen/erfelijke aanleg/aangeboren gedrag (nature) en omgeving
(nurture). De belangrijkste gedragsonderzoekers nu houden zich bezig met sociobiologie of met
gedragsecologie.
Waarom vertonen dieren gedragingen?
Waardoor wordt het gedrag veroorzaakt? Dit zijn proximate vragen.
Wat is het doel van dit gedrag?
Hoe en waarom is gedrag ontstaan? Dit is een ultimate vraag.
Gedrag kun je ook beschrijven als organen die in actie komen door een signaal (impuls). Na een
uitwendige of inwendige prikkel (meestal beide) komt het centrale zenuwstelsel in actie. De
inwendige toestand bepaalt de motivatie voor een bepaald gedrag. De 3 functies van gedrag zijn:
Je overlevingskansen vergroten;
Voor nakomelingen zorgen/ kans op nakomelingen vergroten;
Je nakomelingen verzorgen of beschermen.
Als je gedragsonderzoek gaat doen, is het heel handig om een ethogram te maken. Een ethogram is
lijst met afgekorte gedragingen van een dier in een bepaalde situatie. Je kunt met gedrag veel
experimenten uitvoeren.
Een gedragssysteem is een opvolging van handelingen die met elkaar te maken hebben
(voortplantingsgedrag, territoriumgedrag, vluchtgedrag). Een conflictsituatie is een moment waarop
een dier even veel motivatie heeft voor meerdere gedragssystemen. Zo’n conflictsituatie kun je op 3
manieren oplossen:
Ambivalent gedrag: oftewel afwisselen tussen twee gedragssystemen;
Omgericht gedrag: Je gedrag op iets anders richten (woedend op de tafel slaan);
Overspronggedrag: Iets volstrekt zinloos doen om je onder de situatie uit te worstelen.
Het allereenvoudigste aangeboren gedrag is de reflex. Een reflex is een impuls die direct doorgaat
naar een motorische zenuw. Je hebt standaard aangeboren reflexen op bepaalde prikkels. Vooral
insecten hebben heel goed ontwikkelde instincten omdat ze meestal heel kort leven.
Tinbergen onderzocht de graafwesp. Hij ontdekte dat een vrouwtje eerst een holletje graaft, dan een
voedselvoorraad meegeeft (zoals een rups) en daarna een eitje legt. Om de zoveel tijd komt ze terug
om meer eten te brengen. Al deze gedragingen zijn niet aangeleerd.
Aangeboren gedrag begint niet zomaar. Er moet een aanleiding zijn, zoals bijv. een sleutelprikkel.
Een sleutelprikkel is een prikkel uit je omgeving die bij een soort een bepaald aangeboren gedrag
teweegbrengt (Tinbergen en de stekelbaarsjes en de kleur rood). Zo’n overdreven reactie bij een
sleutelprikkel is heel belangrijk voor dieren (bijv. om te overleven). Dieren maken ook gebruik van
supranormale prikkels om bij andere dieren een bepaald gedrag uit te lokken (zoals de koekoek en