Terminologie:
- Ascal cardio:
Andere naam voor carbasalaatcalcium. Dit is een
antitromboticum/antistollingsmiddel.
Indicatie (ziektebeeld):
o Angina pectoris (instabiel en stabiele)
o Preventie van myocardinfarct.
o Preventie na TIA, CVA, mits intracerebrale bloedingen zijn uitgesloten.
o Preventie van cardiovasculaire voorvallen.
o Hartritmestoornissen
o Preventie van trombosering bij shunt voor nierdialyse.
Bijwerkingen:
o Zeer vaak: maagklachten.
o Baak: verlening bloedingstijd. Braken, diarree, bloedverlies in maag-
darmkanaal; bij langdurig of veelvuldig gebruik kan dit leiden tot
bloedarmoede.
Brainstormen:
Ziektebeelden:
- Hartfalen
- Diabetes Mellitus type 2 omdat dit op latere leeftijd kwam.
Suikermoleculen zijn te groot. Veroorzaken schade in de bloedvaten. Dus de
doorbloeding van een wond is verslechterd.
- Decubitus
- Nierfunctiestoornissen
- Obesitas
Pijn:
- Pijn is een onplezierige, gevoelsmatige en emotionele beleving die wordt geassocieerd met
een daadwerkelijke of dreigende beschadiging van weefsel. Pijn is wat de patiënt zegt dat het
is en treedt op wanneer de patiënt zegt dat het optreedt. Het is dus subjectief.
- Uiting pijn in cultuur.
- Meetinstrumenten
Cultuur:
- Traditioneel Surinaams gezin.
- Voeding Surinaams (waarden en normen m.b.t. voeding en obesitas.
- Omgaan met de ziekte.
- Rol van familie
Psychologie:
- Ongelukkig, geen thuis gevoel
- Weduwe 5 jaar
- Ziekte inzicht, kennis
- Motivatie
- Familie (sociale rol).
1
,Continuïteit in verplegen is niet eenduidig:
- Beleid (zorgleefplan)
Evalueren met zorgvrager, collega’s en eventueel met familie.
- Achtergrond van het cultuur (dit moet ook in het zorgleefplan staan)
- Rapportage collega’s.
- Overdracht vanuit de thuiszorg
- Inzetten van methodisch werken. Hoe doe je dat dan?????
Verpleegkundige diagnosen:
- Mobiliteit
- Vermoeidheid
- Incontinent
- Obstipatie
- Zelfzorgtekort wassen, toiletgang
- Pijn
- Huidbeschadiging (gradaties, behandeling van elke gradatie)
- Diabetes Mellitus type 1 en 2 (verschil, wanneer, behandeling)
- Rouw (interventies)
- Overvoeding
- Risico op vallen
ZZP: Zorg zwaarte pakket
Welke ziektebeelden hebben met elkaar te maken:
Hartfalen en decubitus:
- Mensen met hartfalen hebben vaak symptomen als kortademigheid en vermoeidheid.
Daarbij ook een beperkt inspanningsvermogen. Hierdoor neemt de mobiliteit af. Als mensen
daardoor veel op bed blijven liggen is de kans op doorligwonden groot. Dit is ook het geval
wanneer mensen niet verplaatsen van houding. Hierdoor ontstaat er kans op decubitus.
Decubitus ontstaat er wanneer op een bepaalde plek te veel druk wordt uitgeoefend.
Hierdoor krijgt het desbetreffende gebied te weinig bloed. Waardoor de cellen geen zuurstof
en voedingsstoffen krijgen waardoor de cellen afsterven.
Diabetes en nierfunctiestoornissen:
- Bij diabetes heb je te veel grote glucosemoleculen in je lichaam. Dit zijn afvalstoffen, die je
lichaam wilt uitscheiden. Dit doe je door te plassen. De nieren kunnen dit niet aan omdat het
een te grote molecuul is die niet door de nieren past. Hierdoor treedt beschadiging van de
nieren op.
Diabetes en decubitus:
- Bij diabetes heb je een verhoogde bloedsuiker. Hierdoor is er kans op vaatschade. Bij
diabetes verneem je minder als je wondjes hebt, dit komt door neuropathie. Door te vaak
hoge bloedsuikers, kunnen de zenuwen in je lichaam beschadigd raken (neuropathie).
Nierfunctiestoornissen en hartfalen:
- Het verband is niet helemaal duidelijk. Er wordt gedacht dat door nierfalen er slechte stoffen
achterblijven in het bloed. Deze stoffen zullen de bloedvaten aantasten en hierdoor ontstaat
er een beeld van arteriosclerose. Dit zorgt ervoor dat de vaten zich minder snel kunnen
ontspannen. Hierdoor stijgt de bloeddruk en krijgt het hart meer te verduren waardoor er
geleidelijk hartfalen kan ontstaan.
2
, Hartfalen en nierfunctiestoornissen:
- Door hartfalen is de pompfunctie van het hart verminderd. Het hart kan minder goed
pompen. Het kan daardoor met minder kracht bloed door de nieren stromen. Wat leidt tot
een slechtere doorbloeding van de nieren.
Obesitas en diabetes:
- Erfelijkheid heeft deels invloed op het ontstaan van diabetes. Overgewicht wordt gerelateerd
aan het overmatig eten. Dus het lichaam krijgt hierdoor veel suikers binnen. Hierdoor wordt
het lichaam continu blootgesteld aan een hoge bloedsuiker waardoor het lichaam minder
goed reageert op insuline. De alvleesklier zal als reactie hierop meer insuline aanmaken. Als
gevolg hiervan kan de alvleesklier overbelast raken en zal dan op een gegeven moment geen
insuline meer aanmaken en zo ontstaat er diabetes mellitus type 2.
Leervragen:
- Voeding Surinaams:
De Surinaamse keuken is een combinatie van internationale keukens zoals
Hindoestaanse (India), Afrikaanse, Javaanse (Indonesië), Chinese, Hollandse, Joodse,
Portugese en Indiaanse.
Verschillende bevolkingsgroepen gebruiken elkaars gerechten en ingrediënten en
beïnvloeden waaruit weer nieuwe Surinaamse gerechten ontstonden: roti, nasi
goreng, bami, pom, snesi foroe, moksimeti, losi foroe.
Basisvoedsel zijn onder meer rijst, aardvruchten zoals tayer en cassave en roti. Vaak
met kip. Ook zoutvlees en bakkeljauw worden veel gebruikt. Kousenband, okra en
boulanger zijn groenten die veel worden gebruikt. Voor een pittige smaak worden
verse pepers als madame-jeanette gebruikt. Ook wordt er veel fruit gegeten.
De groep is erg belangrijk in een Surinaamse familie. Respect voor ouderen is erg
belangrijk. Het is een wisselwerking, ouders zijn afhankelijk van hun kinderen.
Kinderen zijn verantwoordelijk voor hun ouders. Dik zijn heeft een status, bewegen
doen ze niet.
- Normen en waarden Surinaams cultuur:
Ouderen worden erg gerespecteerd (met u aanspreken).
Familiecultuur/ groepscultuur.
Eten is erg belangrijk. Afslaan van eten is onbeleefd.
Dik zijn is een status voor welvaart.
Vertrouwensband is erg belangrijk (leer je de patiënt kennen en de patiënt leert jou
kennen). Ziekte staat niet centraal, wel de persoon met de ziekte (holistische visie).
- Functionele incontinentie:
De patiënt voelt wel aandrang, maar is niet instaat om de urine op te houden en op
tijd bij het toilet te komen.
o Gebruik van diuretica, dus vaker plassen.
o Functie van de spieren in de blaas zijn verminderd waardoor de patiënt de
urine niet goed op kan houden.
3