WC 4 – IBR – Dividendbelasting
Vraag 1
a) Ja ogv art 1 lid 1 DB is dividendbelasting verschuldigd over de dividenduitkering. In art 3 staat wat
onder de opbrengst valt. Ogv art 5 bedraagt het tarief 15%. Ogv art 4 lid 1 onderdeel a: als dvs van
toepassing is geldt een inhoudingsvrijstelling. Geldt op het niveau van bv 2.
Je kan er voor kiezen om de vrijstelling niet toe te passen. Als bijvoorbeeld niet bekend is wie de
aandeelhouders zijn en ten onrechte obv art 4 lid 1 de inhoudingsvrijstelling wordt toegepast, een
naheffing DB opgelegd kan worden met een boete.
- Als sprake is van een fe tussen BV1 en BV2: nu mag inhouding achterwege blijven door de fiscale
eenheid ogv art 4 lid 1 ond. b.
- Bij BV1 keert uit aan Grand: Grand is een lichaam gevestigd buiten de EU en EER, dus nu wel
inhoudingsplichtige voor de DB. Ook geen verdrag, dus art 4 lid 2a ond 2 geen vrijstelling. Eindheffing
in dit geval.
b) in beginsel art 1 lid 1 DB, maar ogv art 4 lid 2a onderdeel 1 mag inhouding achterwege blijven:
Luxemburg tot de EU. Uitzondering weer: uiteindelijk gerechtigde. Indien L1 dit is, dan geen DB.
Indien Grand dat is, wat aannemelijk is, dan moet toch DB ingehouden worden.
Er is ook een sub b toets: zou de dvs gelden? Ja, maar in lid 3 weer een uitzondering op deze
uitzondering = hoofdregel = inhoudingsplicht:
a. Lux moet gevestigd zijn in Lux (feitelijk) lichaam in derde staat gevestigd is waar we geen verdrag
mee hebben (in casu feitelijke leiding op de Caymans).
b. geen beleggingsinstelling
c. geen ontgaansgedrag (tussen schuiven van een EU vennootschap) of sprake van een constructie.
Bij voldoende economische activiteiten, dan geen sprake van een kunstmatige constructie. Kijken
naar:
- misbruiktoets: zonder lux wel belasting verschuldigd?
- ondernemingstoets: reële schakelfunctie (substance), eisen:
minimale substance (uitvoeringsbesluit internationale bijstandsverlening)
EUR 100 000 aan salariskosten
eigen kantoor voor 24 maanden
Dus sprake van een schakelfunctie en dus de vrijstelling.
c) in beginsel art 1 lid 1 DB, maar ogv art 4 lid 2a onderdeel 1 mag inhouding achterwege blijven:
Luxemburg tot de EU. Uitzondering weer: uiteindelijk gerechtigde. Indien L1 dit is, dan geen DB.
Indien Grand dat is, wat aannemelijk is, dan moet toch DB ingehouden worden.
Hetzelfde als bij b, maar nu geldt de uitzondering op de uitzondering. Voldoet niet aan de
ondernemingstoets. Bovenin zit geen substance. En dus inhoudingsplicht.
d) in beginsel art 1 lid 1 DB, maar ogv art 4 lid 2a onderdeel 1 mag inhouding achterwege blijven:
Cyprus tot de EU (lid van EU/EER). Uitzondering weer: voldoende substance? Ja voldaan aan
ondernemingstoets.
uitzondering in art 4 lid 3b: vergelijkbare functie als een beleggingsinstelling = private equity.
Vraag 2
Houdstercoöperatie: volgens art 1 lid 8 DB moet sprake zijn van het doorgaans houden van
deelnemingen of financieren van verbonden lichamen. Een bank is een belastingplichtig lichaam voor
de vpb. Dit betreft een coöperatie, dus deze ogv art 1 lid 1 niet inhoudingsplichtige. Echter, is in lid 2
uitgebreid dat houdstercoöperaties wel inhoudingsplichtig zijn voor de dividendbelasting. Of sprake is
van een houdstercoöperatie moet getoetst worden aan de hand van lid 8. Uit het feitencomplex is
duidelijk dat sprake is van een onderneming en van investeringsactiviteiten. Of sprake is van het
houden van deelnemingen of het financieren van verbonden lichamen is niet uit de casus te halen. Er
is geen Nederlandse dividendbelasting verschuldigd: het coöperatief wordt niet aangemerkt als een
kwalificerende houdster/financieringsmaatschappij.
Vraag 1
a) Ja ogv art 1 lid 1 DB is dividendbelasting verschuldigd over de dividenduitkering. In art 3 staat wat
onder de opbrengst valt. Ogv art 5 bedraagt het tarief 15%. Ogv art 4 lid 1 onderdeel a: als dvs van
toepassing is geldt een inhoudingsvrijstelling. Geldt op het niveau van bv 2.
Je kan er voor kiezen om de vrijstelling niet toe te passen. Als bijvoorbeeld niet bekend is wie de
aandeelhouders zijn en ten onrechte obv art 4 lid 1 de inhoudingsvrijstelling wordt toegepast, een
naheffing DB opgelegd kan worden met een boete.
- Als sprake is van een fe tussen BV1 en BV2: nu mag inhouding achterwege blijven door de fiscale
eenheid ogv art 4 lid 1 ond. b.
- Bij BV1 keert uit aan Grand: Grand is een lichaam gevestigd buiten de EU en EER, dus nu wel
inhoudingsplichtige voor de DB. Ook geen verdrag, dus art 4 lid 2a ond 2 geen vrijstelling. Eindheffing
in dit geval.
b) in beginsel art 1 lid 1 DB, maar ogv art 4 lid 2a onderdeel 1 mag inhouding achterwege blijven:
Luxemburg tot de EU. Uitzondering weer: uiteindelijk gerechtigde. Indien L1 dit is, dan geen DB.
Indien Grand dat is, wat aannemelijk is, dan moet toch DB ingehouden worden.
Er is ook een sub b toets: zou de dvs gelden? Ja, maar in lid 3 weer een uitzondering op deze
uitzondering = hoofdregel = inhoudingsplicht:
a. Lux moet gevestigd zijn in Lux (feitelijk) lichaam in derde staat gevestigd is waar we geen verdrag
mee hebben (in casu feitelijke leiding op de Caymans).
b. geen beleggingsinstelling
c. geen ontgaansgedrag (tussen schuiven van een EU vennootschap) of sprake van een constructie.
Bij voldoende economische activiteiten, dan geen sprake van een kunstmatige constructie. Kijken
naar:
- misbruiktoets: zonder lux wel belasting verschuldigd?
- ondernemingstoets: reële schakelfunctie (substance), eisen:
minimale substance (uitvoeringsbesluit internationale bijstandsverlening)
EUR 100 000 aan salariskosten
eigen kantoor voor 24 maanden
Dus sprake van een schakelfunctie en dus de vrijstelling.
c) in beginsel art 1 lid 1 DB, maar ogv art 4 lid 2a onderdeel 1 mag inhouding achterwege blijven:
Luxemburg tot de EU. Uitzondering weer: uiteindelijk gerechtigde. Indien L1 dit is, dan geen DB.
Indien Grand dat is, wat aannemelijk is, dan moet toch DB ingehouden worden.
Hetzelfde als bij b, maar nu geldt de uitzondering op de uitzondering. Voldoet niet aan de
ondernemingstoets. Bovenin zit geen substance. En dus inhoudingsplicht.
d) in beginsel art 1 lid 1 DB, maar ogv art 4 lid 2a onderdeel 1 mag inhouding achterwege blijven:
Cyprus tot de EU (lid van EU/EER). Uitzondering weer: voldoende substance? Ja voldaan aan
ondernemingstoets.
uitzondering in art 4 lid 3b: vergelijkbare functie als een beleggingsinstelling = private equity.
Vraag 2
Houdstercoöperatie: volgens art 1 lid 8 DB moet sprake zijn van het doorgaans houden van
deelnemingen of financieren van verbonden lichamen. Een bank is een belastingplichtig lichaam voor
de vpb. Dit betreft een coöperatie, dus deze ogv art 1 lid 1 niet inhoudingsplichtige. Echter, is in lid 2
uitgebreid dat houdstercoöperaties wel inhoudingsplichtig zijn voor de dividendbelasting. Of sprake is
van een houdstercoöperatie moet getoetst worden aan de hand van lid 8. Uit het feitencomplex is
duidelijk dat sprake is van een onderneming en van investeringsactiviteiten. Of sprake is van het
houden van deelnemingen of het financieren van verbonden lichamen is niet uit de casus te halen. Er
is geen Nederlandse dividendbelasting verschuldigd: het coöperatief wordt niet aangemerkt als een
kwalificerende houdster/financieringsmaatschappij.