Week 11 – Dubbele vestigingsplaats; MAP-procedure en dubbele vestigingsplaats;
driehoeksverhoudingen (vervolg)
Literatuur (zie ook vorige week)
• Cursus Belastingrecht, onderdeel Internationaal belastingrecht 2017-2018:
o Onderdeel 0.2.2.
o Onderdeel 3.2.4.B.
Jurisprudentie (zie ook vorige week)
• HR 12 maart 1980, BNB 1980/170 (grensambtenaar)
• HR 2 september 1992, BNB 1992/379 (Ierland I)
• HR 17 februari 1993, BNB 1994/163 (Ierland II)
• HR 28 februari 2001, BNB 2001/295 (drielandenpunt)
• HR 8 februari 2002, BNB 2002/184 (Japanse royalty)
• HR 11 mei 2007, BNB 2007/230 (Mexicaanse en Braziliaanse interest)
Vraag 1
A NV, een in Nederland gevestigde handelsbank heeft via haar vaste inrichting in België een
lening verstrekt aan een in België gevestigde vennootschap, B SA. In verband met deze schuld
betaalt B SA in zeker jaar een rentebedrag van € 2.000.000 aan A NV. België hanteert naar
Belgisch nationaal recht een bronbelasting van 27% op interestbetalingen.
Gevraagd
Hoe verloopt in Nederland en België de belastingheffing ter zake van bovenvermelde interest,
rekening houdend met het belastingverdrag dat Nederland en België daadwerkelijk zijn
overeengekomen?
Vraag 2
A NV uit vraag 1 heeft via haar vaste inrichting in België tevens een lening verstrekt aan een in
Italië gevestigde vennootschap, C SpA. In verband met deze schuld betaalt C SpA in een zeker
jaar een rentebedrag van € 1.000.000 aan A NV. Italië hanteert naar Italiaans nationaal recht een
bronbelasting van 12,5% op interestbetalingen.
Gevraagd
Hoe verloopt in Nederland, België en Italië de belastingheffing ter zake van bovenvermelde
interest, rekening houdend met de belastingverdragen die Nederland en België resp. Nederland
en Italië daadwerkelijk zijn overeengekomen, en aannemende dat het belastingverdrag tussen
België en Italië gelijkluidend is aan het OESO-Modelverdrag?
Vraag 3
driehoeksverhoudingen (vervolg)
Literatuur (zie ook vorige week)
• Cursus Belastingrecht, onderdeel Internationaal belastingrecht 2017-2018:
o Onderdeel 0.2.2.
o Onderdeel 3.2.4.B.
Jurisprudentie (zie ook vorige week)
• HR 12 maart 1980, BNB 1980/170 (grensambtenaar)
• HR 2 september 1992, BNB 1992/379 (Ierland I)
• HR 17 februari 1993, BNB 1994/163 (Ierland II)
• HR 28 februari 2001, BNB 2001/295 (drielandenpunt)
• HR 8 februari 2002, BNB 2002/184 (Japanse royalty)
• HR 11 mei 2007, BNB 2007/230 (Mexicaanse en Braziliaanse interest)
Vraag 1
A NV, een in Nederland gevestigde handelsbank heeft via haar vaste inrichting in België een
lening verstrekt aan een in België gevestigde vennootschap, B SA. In verband met deze schuld
betaalt B SA in zeker jaar een rentebedrag van € 2.000.000 aan A NV. België hanteert naar
Belgisch nationaal recht een bronbelasting van 27% op interestbetalingen.
Gevraagd
Hoe verloopt in Nederland en België de belastingheffing ter zake van bovenvermelde interest,
rekening houdend met het belastingverdrag dat Nederland en België daadwerkelijk zijn
overeengekomen?
Vraag 2
A NV uit vraag 1 heeft via haar vaste inrichting in België tevens een lening verstrekt aan een in
Italië gevestigde vennootschap, C SpA. In verband met deze schuld betaalt C SpA in een zeker
jaar een rentebedrag van € 1.000.000 aan A NV. Italië hanteert naar Italiaans nationaal recht een
bronbelasting van 12,5% op interestbetalingen.
Gevraagd
Hoe verloopt in Nederland, België en Italië de belastingheffing ter zake van bovenvermelde
interest, rekening houdend met de belastingverdragen die Nederland en België resp. Nederland
en Italië daadwerkelijk zijn overeengekomen, en aannemende dat het belastingverdrag tussen
België en Italië gelijkluidend is aan het OESO-Modelverdrag?
Vraag 3