4.1 + 4.2
(Zie ook: WM: H1, WI: H1 + H4.5, GL: H4.3)
- Pensioenen (WI H1, WM H1):
- Kapitaaldekkingsstelsel en omslagstelsel
- Welvaartsvast en waardevast
- Dekkingsgraad:
- Eindwaarde en contante waarde
- Voorraadgrootheden en stroomgrootheden
- Inkomen Vermogen
- Effecten: Aandelen en obligaties
Risico en rendement
Als je geld over hebt, kun je dat op een spaarrekening zetten, maar je kunt het ook beleggen.
Beleggen is het kopen van effecten. Je kunt een effect doorverkopen aan een ander. De prijs
die je dan krijgt heet de koers van dat effect. De markt waarop je effecten koopt en verkoopt
heet de kapitaalmarkt.
Er zijn twee soorten effecten:
1. Aandelen
Als je een aandeel van een bedrijf hebt, ben je mede-eigenaar van dat bedrijf → je krijgt
een deel van de winstuitkering (= dividend).
Als een bedrijf veel winst maakt, krijgen de aandeelhouders veel dividend en wil iedereen
de aandelen van dat bedrijf kopen → de koers van het aandeel stijgt.
Een aandeelhouder kan dan dubbel verdienen (dividend en koerswinst).
Maar . . . !
Als een bedrijf geen winst maakt / de toekomst van het bedrijf er slecht uitziet, dan willen
mensen van hun aandeel af en weinigen willen het nog kopen → de koers van het aandeel
daalt. En als een bedrijf failliet gaat, is je aandeel niets meer waard.
Aan een aandeel is dus veel risico verbonden.
2.Obligaties
Als je een obligatie koopt van een bedrijf (= bedrijfsobligatie) of van de overheid
(= staatsobligatie), leen je geld uit aan het bedrijf of de overheid.
Je krijgt dan een bepaald aantal jaren (= de looptijd van de obligatielening) een vast
percentage aan rente. Na een aantal jaren wordt de obligatielening afgelost en krijg je de
nominale waarde (= de oorspronkelijke waarde) van je obligaties weer terug
Een bedrijf betaalt eerst zijn kosten, bijv. de rente op de obligaties en kijkt dan pas of er nog
winst uitgekeerd kan worden. Het risico dat je de rente niet ontvangt is dus veel kleiner dan