Les 1 4/9
Alle literatuur en namen leren voor toetsing.
Sociologie: gedrag van groepen mensen, onderzoekt maatschappelijke vraagstukken, nadruk
op invloed omgeving, alsof ze van veraf kijken naar het probleem.
Psychologie: gedrag van individuele mens, nadruk op emoties, denken en gedrag.
Psychologen kijken meer naar hoe het probleem is gekomen.
Beide: wetenschappelijke studies.
Nature: aangeboren.
Nurture: beïnvloedt door omgeving.
Psychoanalyse: hoe we ons voelen, wanneer we problemen hebben of hoe we denken,
wordt beïnvloed door je eerste levensjaren.
Les 2
De psychodynamische benaderingen: kernbegrippen bepaald door Sigmund Freud:
Onderbewuste die ons gedrag bepaalt:
Bijvoorbeeld: lichamelijke klachten, verlatingsangst, extreem hoge eisen aan jezelf
stellen, agressie of angststoornissen.
Uitgangspunten: de oorzaak van problemen van mensen stamt veelal uit de kindertijd;
ervaringen zijn niet goed verwerkt en weggestopt in het onderbewuste; problemen
manifesteren zich bij situaties die lijken op situaties kindertijd; psychodynamische
therapie moet onbewuste informatie boven tafel krijgen.
Driftmodel:
ID: de driften, onbewuste verlangens.
SUPER-EGO: geweten, ideaalbeeld, regels die je aangeleerd krijgt uit omgeving.
EGO: het ik, moet ontwikkeld worden door kind (realiteitsprincipe), je gedrag.
Het EGO is sterker dan het SUPER-EGO en het ID.
Orale fase: 0-1,5 jaar: is ook liefde en aandacht. Tekort: baby-behoeften blijven dominant,
afhankelijk (verslaving).
Anale fase: 1,5-3 jaar: controle over eigen ontlasting en gedrag. Daarnaast ook de fase
waarin kinderen koppig worden en een evenwicht moet vinden in wat ze willen niet kunnen
krijgen. Vaak zijn ouders hierin heel streng qua netheid, autoriteit, regels, gierigheid, etc.
Hierbij hoort ook dwangmatigheid.
, De fallische fase (4-6 jaar): oedipus/electracomplex: rivaliteit wordt opgelost door
identificatie (vorming superego), belangrijk: vaderfiguur moet in beeld zijn. Onvoldoende
identificatie kan gevolgen hebben voor latere relatievorming.
De latentie fase (6-12 jaar): interesse van het kind wordt minder egocentrisch en seksueel.
De genitale fase (12-23 jaar): ontwikkeling van de geslachtsdrift.
Overdracht: beleven van gevoelens bij iemand die horen bij een ander, meestal bij iemand
uit het verleden. Tegenoverdracht: de patiënt roept gevoelens op van vroeger bij de
therapeut.
Zelfpsychologie: Kohut en Stern hielden zich bezig met narcistische problematiek bij
patiënten die veel waardering nodig hebben, een zwak ‘ik’ hebben en zeer slecht tegen
afwijzing kunnen. Volgens Kohut en Stern hebben deze cliënten te weinig bevestiging gehad
als kind. De therapie hierbij is er veel liefde en aandacht nodig, na therapie is de
zelfwaardering dan intact.
Holding: het proces van losmaking tussen ouder en kind heeft voldoende mate van holding
nodig door de primaire verzorgers. Holding is dat het kind zich op een veilige manier
vastgehouden heeft gevoeld.
Afweermechanismen: in ons onderbewuste zetelen angstige herinneringen/impulsen.
Afweermechanismen houden deze onder de oppervlakte: je voelt je minder angstig.
Bijvoorbeeld:
Isolering van trauma’s: je weet dat het gebeurd is, maar geen gevoelens erbij hebben.
Verdringing: niet (meer) bewust dat je hier bijvoorbeeld bang voor bent.
Reactieformatie: tegengesteld doen van wat je voelt.
Verplaatsing: woede op baas verplaatsen naar woede op partner.
Sublimatie: omzetten in maatschappelijk geaccepteerd gedrag.
Projectie: van onacceptabele kenmerken van jezelf naar een ander.
Rationalisatie: men probeert te bewijzen dat de actie waar diegene inmiddels spijt van
heeft, wel goed is geweest.
Dissociatie: bepaalde gedachtes, emoties of herinneringen buiten het bewust zijn
worden geplaatst.
Regressie: teruggaan naar de kindertijd bij stress: kinderen die zindelijk zijn en weer in
bed gaan plassen, of volwassenen die veel gaan drinken.
Fixatie: blijven steken in een bepaalde fase.