Les 1
De zorgverlener: de verpleegkundige stelt op basis van klinisch redeneren de behoefte
aan verpleegkundige zorg vast op lichamelijk, psychisch, functioneel en sociaal gebied,
indiceert en verleent deze zorg in complexe situaties, volgens het verpleegkundig proces, op
basis van EBP.
Reflectieve EBP-professional: de innovatie handelt vanuit een continu aanwezig
onderzoekend vermogen.
Onderzoekend vermogen: het in zorgsituaties en bij zorg- en organisatievraagstukken
tonen van een kritisch onderzoekende en reflectieve houding. Daarnaast is het
verantwoorden van handelen vanuit verschillende kennisbronnen van belang. En je moet
een methodische aanpak kunnen hanteren, met een gedegen probleemanalyse en het
doorlopen van de onderzoek cyclus gericht op het verbeteren van een specifieke
beroepssituatie. Hierbij is het belangrijk om nieuwsgierig te zijn en naar alles te vragen wat
je interesseert.
Inzet EBP: het in samenspraak van de zorgvrager, collega’s en andere disciplines afwegen
van actief gezochte recente verpleegkundige kennis uit literatuur, richtlijnen of protocollen,
professionele expertise en persoonlijke kennis, wensen en voorkeuren van de zorgvrager en/
of diens netwerk. Het wetenschappelijke onderzoek gebruik je bij de interventies.
Vitale functies: bij verpleegkundige kennis analyseren we de meest voorkomende
verpleegkundige diagnoses die ontstaan bij het disfunctioneren van deze functies. Alles is
met elkaar verbonden: bijvoorbeeld als je hart niet goed bloed rond pompt, kan het zijn dat
er niet genoeg bloed in de hersenen komt waardoor je een herseninfarct kan krijgen.
Meten is weten: normaalwaarden, ademhaling, bloeddruk, hartfrequentie, temperatuur en
saturatie.
Waarom meetinstrumenten?
Objectiveren van je observaties.
De huidige situaties in kaart brengen.
Bepalen waar je naar toe wilt werken.
Evalueren van je handelen.
,Meten, observeren en vragen zijn de elementen waardoor je iets kunt ontdekken. Daarnaast
gebruik je je zintuigen.
Redeneerhulp:
ABCDE-methode:
A: airway > is de luchtweg doorgankelijk?
B: breathing > hoe is de ademhaling?
C: circulation > hoe is de circulatie?
D: disability > hoe is het bewustzijn?
E: exposure > hoe staat het met de lichaamstemperatuur?
Cognitieve functies: specifieke geestelijke activiteiten die aangestuurd worden door de
hersenen. Een voorbeeld is het geheugen, wat er onder andere zorgt voor dingen leren,
taalgebruik en het kunnen begrijpen en uitvoeren van complexere, dagelijkse handelingen.
EBP in 5 stappen:
Stap 1: formuleer een beantwoordbare vraag: PICO.
P: patiënt of probleem, I: interventie, C: vergelijking, O: uitkomst.
Stap 2: efficiënt zoeken naar het beste bewijsmateriaal.
Stap 3: beoordelen van het gevonden bewijs op methodologische kwaliteit en
toepasbaarheid.
Stap 4: toepassen van het resultaat in de praktijk.
Stap 5: evaluatie proces en resultaat.
Les 2
Normale ademhaling: een activiteit van het organisme, waarbij zuurstof uit de omgeving
wordt opgenomen en kooldioxide wordt afgestaan. Ademhaling van het individu: lucht van
buitenaf naar het bloed door je lichaam → bloed brengt zuurstof naar de cellen.
Inademen (actief): heffen van de ribben, samentrekken diafragma, lucht wordt ingezogen.
Bij extra behoefte aan zuurstof: halsspieren en schoudergordel gaan meewerken.
, Observatie van de ademhaling → kwaliteiten beoordelen:
Frequentie, diepte, regelmaat, patroon, geluid, geur en huidskleur.
Normaal waarden bij volwassenen:
Frequentie: 15-17 keer per minuut.
Diepte: 500ml in normale situatie.
Regelmaat/patroon: steeds ongeveer hetzelfde ritme waarbij inademing iets korter is
dan de uitademing. Geen afwijkend patroon te herkennen (denk aan
apneu/hyperventilatie).
Geluidloos, geurloos en geen sprake van cyanose.
Afdeling longgeneeskunde: zowel intern (benauwdheid/COPD/hartfalen) als chirurgisch
(klaplong/longtransplantatie). Onderzoek, behandeling en preventie bij longziekten. Er zijn
veel chronische aandoeningen of deze afdeling: klinische- en poliklinische zorg.
Dyspneu: verstoorde ademhaling → kortademigheid, benauwd.
Dit zijn niet altijd longproblemen, kan namelijk ook: een hartprobleem, neurologische
afwijking van ademhalingsspieren en/of kanker zijn. Dyspnoe is een subjectieve ervaring:
iedereen ervaart het anders. Denk goed na over wat er voor de gebeurtenis is gebeurd etc.
Dyspneu neemt toe wanneer er meer ventilatie nodig is: bij lichamelijke inspanning,
wanneer de luchtwegweerstand toeneemt, wanneer de longelasticiteit afneemt en wanneer
er slapte of beschadiging van ademhalingsspieren is.
Relatie dyspnoe en longfunctie:
Je verwacht dat wanneer je minder longfunctie hebt, het betekent dat er meer dyspnoe is.
Maar dit is niet altijd zo, bij COPD patiënten is er meer dyspnoe bij inspanning. Bij ernstige
dyspnoe is er veel moeite met traplopen, lopen en eten.
Dyspnoe meetinstrumenten:
VAS (patiënt laat weten hoeveel pijn op schaal van 1 tot 10).
Dyspnoe-anamneseformulier.
Dyspnoe-evaluatieformulier.
Borgschaal of benauwdheid.
Verpleegkundige interventies betreft dyspneu:
Dyspnoe is niet altijd te behandelen, dan is het doel dat het lijden minder wordt en er meer
ruimte om te leven komt.