Blok 2.3 - History & Methods of Psychology Probleem 4
Vignet 1
1) Behaviorisme - Watson
Watson’s Objectieve Psychologie
Watson en de Russische psychologen uit die tijd hadden als gezamenlijk
standpunt dat introspectie verworpen moesten worden. Beide partijen geloofden
niet dat bewustzijn kon zorgen voor gedrag. Het zou meer gaan om een
fenomeen waarbij verschillende fysiologische reacties samengaan met stimuli
en hierdoor veroorzaakt worden, een epiphenomenon. Naar verloop van tijd
raakte Watson meer geïnteresseerd in de combinatie van stimuli en reacties.
Volgens Watson waren stimuli en responses niet hetzelfde als voor de
Russische psychologen. Hij stelde dat stimuli algemene omgevingssituaties
zijn of een bepaalde interne condities van een organisme. Een response is
alles wat het organisme doet.
Voor Watson zijn er 4 soorten gedrag:
Expliciet geleerd gedrag: dit is gedrag zoals praten, schrijven en sporten.
Impliciet geleerd gedrag: zoals een verhoogde hartslag door het zien van een
naald.
Explicit ongeleerd gedrag: zoals knipperen en niezen
Impliciet ongeleerd gedrag: dit is gedrag zoals veranderingen in de
bloedsomloop.
Voor het bestuderen van dit gedrag, zijn er volgens Watson 4 methodes:
Observatie: in zowel natuurlijke als experimentele situaties
Conditioned-reflex methode: zoals Pavlov al deed
Testing: voor Watson betekent dit het nemen van samples van gedrag en niet
het meten van de ‘capaciteit’ of ‘persoonlijkheid’.
Verbale verslagen: Watson zag dit als een andere vorm van ‘open’ gedrag.
Watson zag spreken en taal daarnaast puur als een vorm van gedrag, net zoals
alle andere behavioristen. Spreken is een vorm van doen, dus is het gedrag.
Watson was volledig tegen het idee van instincten. Het toenmalige idee stelde
dat instincten bestaan uit simpele reflexen in het gedrag, zoals niezen en
ademen. Complexe gedrag zouden geen instincten zijn. Voor Watson maakt
ervaring mensen zoals ze zijn en is er geen sprake van erfelijkheid. Watsons
ideeën behoren hierdoor dus tot het radicale environmentalisme.
In de tijd van Watson waren er vier stromingen wat betreft het Mind-Body
probleem.
Als eerste was er het interactionalisme, waarbij body en mind met elkaar zouen
interacteren.
Een tweede stroming was psychologische parallelisme. Volgens deze stroming
zouden mentale en lichamelijke gebeurtenissen parallel lopen zonder
interactie.
, Als derde was er het epiphenomenalisme, waartoe Watson in eerste instantie
behoorde. Deze stroming stelt dat mentale gebeurtenissen bijproducten zijn
van lichamelijke gebeurtenissen, maar niet zorgen voor bepaald gedrag.
De vierde positie was fysieke monisme (oftewel materialisme). Hierbij werd het
idee van een mind volledig verworpen. Later in zijn loopbaan nam Watson
deze stroming aan. Hij stelde dat het nooit bewezen is dat er een mind bestaat
en dat het puur een aanname is.
Watsons Invloed
Ten eerste veranderde Watson het meest belangrijke doel van psychologie.
Eerst was het voornaamste doel om de beschrijving en verklaring van het
bewustzijn te geven, maar Watson veranderede het doel in het voorspellen en
controleren van gedrag. Daarnaast maakte hij ‘open’ gedrag het bijna-exclusieve
onderwerp binnen de psychologie.
Er kwamen twee vormen van behaviorisme. Ten eerste was er het radicaal
behaviorisme, de vorm van Watson zelf. Dit is het geloof dat een verklaring van
gedrag niet gegeven kan worden in termen van niet-geobserveerde interne
gebeurtenissen. Alles wat geobserveerd kan worden is omgevingsfactoren en
‘open’ gedrag en dit is dan ook het gene wat telt. De andere vorm is
methodologisch behaviorisme. Deze behavioristen zien geen kwaad in
aannemen van cognitieve gebeurtenissen, maar benadrukken wel dat zulke
gebeurtenissen bevestigd moeten worden door het bestuderen van hun
openbaringen in ‘open’ gedrag. Deze vorm van behaviorisme is meer
aangenomen, maar radicaal behaviorisme is alsnog populair in de hedendaagse
psychologie.
Er waren door de jaren heen verschillen ontstaan tussen de behavioristen:
Sommige behavioristen waren niet blij met het uitsluiten van interne
gebeurtenissen en het slechtst kijken naar openbare stimulus-response (S-R)
relaties. Ze wilde niet perse de mentale concepten een nieuwe leven in blazen,
maar waren wel op zoek naar een manier om de interne processen te plaatsen.
In plaats van alleen S-R, kwam er nu een S-O-R model, waarbij O staat voor
organisme. Tolman was naast dit model vooral bezig met het ontwikkelen van
een behaviorisme dat om kon gaan met een bepaalde doelgerichtheid.
Andere verschillen ontstonden puur door het uitbreiden van behaviorisme naar
andere onderwerpen dan alleen leren. Lashley nam de behavioristische kijk
mee in zijn onderzoek naar hersenfunctionering.
Een andere dimensie van verschillen had betrekking op de theoretische
complexiteit. De tegenpolen hierin waren Skinner en Hull. De aanpak van
Skinner werd niet-theoretisch en bestond alleen uit het bestuderen van de vorm
van gedrag door het versterken van onvoorziene omstandigheden, zonder dat er
nadruk gelegd werd op interne gebeurtenissen en het uitbreiden van theorie.
Hull was er echter op gebrand om een theorie te vormen wat betreft gedrag.
Vignet 1
1) Behaviorisme - Watson
Watson’s Objectieve Psychologie
Watson en de Russische psychologen uit die tijd hadden als gezamenlijk
standpunt dat introspectie verworpen moesten worden. Beide partijen geloofden
niet dat bewustzijn kon zorgen voor gedrag. Het zou meer gaan om een
fenomeen waarbij verschillende fysiologische reacties samengaan met stimuli
en hierdoor veroorzaakt worden, een epiphenomenon. Naar verloop van tijd
raakte Watson meer geïnteresseerd in de combinatie van stimuli en reacties.
Volgens Watson waren stimuli en responses niet hetzelfde als voor de
Russische psychologen. Hij stelde dat stimuli algemene omgevingssituaties
zijn of een bepaalde interne condities van een organisme. Een response is
alles wat het organisme doet.
Voor Watson zijn er 4 soorten gedrag:
Expliciet geleerd gedrag: dit is gedrag zoals praten, schrijven en sporten.
Impliciet geleerd gedrag: zoals een verhoogde hartslag door het zien van een
naald.
Explicit ongeleerd gedrag: zoals knipperen en niezen
Impliciet ongeleerd gedrag: dit is gedrag zoals veranderingen in de
bloedsomloop.
Voor het bestuderen van dit gedrag, zijn er volgens Watson 4 methodes:
Observatie: in zowel natuurlijke als experimentele situaties
Conditioned-reflex methode: zoals Pavlov al deed
Testing: voor Watson betekent dit het nemen van samples van gedrag en niet
het meten van de ‘capaciteit’ of ‘persoonlijkheid’.
Verbale verslagen: Watson zag dit als een andere vorm van ‘open’ gedrag.
Watson zag spreken en taal daarnaast puur als een vorm van gedrag, net zoals
alle andere behavioristen. Spreken is een vorm van doen, dus is het gedrag.
Watson was volledig tegen het idee van instincten. Het toenmalige idee stelde
dat instincten bestaan uit simpele reflexen in het gedrag, zoals niezen en
ademen. Complexe gedrag zouden geen instincten zijn. Voor Watson maakt
ervaring mensen zoals ze zijn en is er geen sprake van erfelijkheid. Watsons
ideeën behoren hierdoor dus tot het radicale environmentalisme.
In de tijd van Watson waren er vier stromingen wat betreft het Mind-Body
probleem.
Als eerste was er het interactionalisme, waarbij body en mind met elkaar zouen
interacteren.
Een tweede stroming was psychologische parallelisme. Volgens deze stroming
zouden mentale en lichamelijke gebeurtenissen parallel lopen zonder
interactie.
, Als derde was er het epiphenomenalisme, waartoe Watson in eerste instantie
behoorde. Deze stroming stelt dat mentale gebeurtenissen bijproducten zijn
van lichamelijke gebeurtenissen, maar niet zorgen voor bepaald gedrag.
De vierde positie was fysieke monisme (oftewel materialisme). Hierbij werd het
idee van een mind volledig verworpen. Later in zijn loopbaan nam Watson
deze stroming aan. Hij stelde dat het nooit bewezen is dat er een mind bestaat
en dat het puur een aanname is.
Watsons Invloed
Ten eerste veranderde Watson het meest belangrijke doel van psychologie.
Eerst was het voornaamste doel om de beschrijving en verklaring van het
bewustzijn te geven, maar Watson veranderede het doel in het voorspellen en
controleren van gedrag. Daarnaast maakte hij ‘open’ gedrag het bijna-exclusieve
onderwerp binnen de psychologie.
Er kwamen twee vormen van behaviorisme. Ten eerste was er het radicaal
behaviorisme, de vorm van Watson zelf. Dit is het geloof dat een verklaring van
gedrag niet gegeven kan worden in termen van niet-geobserveerde interne
gebeurtenissen. Alles wat geobserveerd kan worden is omgevingsfactoren en
‘open’ gedrag en dit is dan ook het gene wat telt. De andere vorm is
methodologisch behaviorisme. Deze behavioristen zien geen kwaad in
aannemen van cognitieve gebeurtenissen, maar benadrukken wel dat zulke
gebeurtenissen bevestigd moeten worden door het bestuderen van hun
openbaringen in ‘open’ gedrag. Deze vorm van behaviorisme is meer
aangenomen, maar radicaal behaviorisme is alsnog populair in de hedendaagse
psychologie.
Er waren door de jaren heen verschillen ontstaan tussen de behavioristen:
Sommige behavioristen waren niet blij met het uitsluiten van interne
gebeurtenissen en het slechtst kijken naar openbare stimulus-response (S-R)
relaties. Ze wilde niet perse de mentale concepten een nieuwe leven in blazen,
maar waren wel op zoek naar een manier om de interne processen te plaatsen.
In plaats van alleen S-R, kwam er nu een S-O-R model, waarbij O staat voor
organisme. Tolman was naast dit model vooral bezig met het ontwikkelen van
een behaviorisme dat om kon gaan met een bepaalde doelgerichtheid.
Andere verschillen ontstonden puur door het uitbreiden van behaviorisme naar
andere onderwerpen dan alleen leren. Lashley nam de behavioristische kijk
mee in zijn onderzoek naar hersenfunctionering.
Een andere dimensie van verschillen had betrekking op de theoretische
complexiteit. De tegenpolen hierin waren Skinner en Hull. De aanpak van
Skinner werd niet-theoretisch en bestond alleen uit het bestuderen van de vorm
van gedrag door het versterken van onvoorziene omstandigheden, zonder dat er
nadruk gelegd werd op interne gebeurtenissen en het uitbreiden van theorie.
Hull was er echter op gebrand om een theorie te vormen wat betreft gedrag.