Hoofdstuk 1
Tot het overheidsbestuur kunnen worden gerekend alle personen of colleges die als
‘bestuursorgaan’ in de zin van 1:1 Awb kunnen worden aangemerkt.
Een besluit is volgens 1:3 een beslissing van een bestuursorgaan. En een belanghebbende is
volgens 1:2 degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Verder staat toegang
tot de bestuursrechter alleen open tegen besluiten (8:1).
Er is onderscheid tussen a- en b-bestuursorganen (1:1 lid 1). Als er van een a-bestuursorgaan
geen sprake is, dan pas moet er worden gekeken of er sprake is van een b-bestuursorgaan. A-
bestuursorganen zijn de organen die altijd en ongeacht wat ze doen tot het openbaar bestuur
worden gerekend. B-organen zijn slechts bestuursorganen voor zover zij handelingen verrichten
die zijn aan te merken als overheidshandelingen die de uitoefening van ‘openbaar gezag’
impliceren.
A-organen:
1. Is er een rechtspersoon krachtens publiekrecht in beeld en zo ja
2. Is de persoon of het college waarvan de status moet worden bepaald, orgaan van die
rechtspersoon?
Rechtspersoon: groepen of collectiviteiten die over een eigen vermogen beschikken. Verder zijn zij
drager van rechten en plichten die van vermogensrechtelijke aard zijn.
Krachtens publiekrecht ingesteld: 2:1 en 2:3 BW zet rechtspersonen krachtens publiekrecht en
privaatrecht tegenover elkaar. Het verschil tussen beiden ligt in de wijze waarop ze in het leven zijn
geroepen.
Rechtspersonen krachtens publiekrecht ontlenen hun status doordat de toepasselijke instellings- of
organisatiewet bepaalt dat een entiteit rechtspersoon is. Deze worden dus niet ‘opgericht’.
Rechtspersonen krachtens privaatrecht ontlenen hun status aan het verrichten van de specifieke
oprichtingshandelingen die in het BW voor elk van de in 2:3 genoemde rechtspersonen zijn
voorzien.
Een rechtspersoon krachtens publiekrecht kan niet tevens een rechtspersoon krachtens
privaatrecht zijn en andersom.
2:1 lid 1 BW geeft aan dat de Staat, provincies, gemeenten en de waterschappen
rechtspersoonlijkheid bezitten. Dit is zo vanzelfsprekend dat hiervoor geen instellingswet nodig is.
‘Orgaan’ van een rechtspersoon: rechtspersonen handelen altijd via hun organen
(vertegenwoordigers van de rechtspersoon). De Awb geeft geen definitie van organen. Uit boek 2
BW volgt dat het er om gaat of een persoon of college een ‘voldoende zelfstandige positie’
inneemt binnen de rechtspersoon. Die vraag moet worden beantwoord aan de hand van de
statuten en reglementen van de rechtspersoon in kwestie. Bij rechtspersonen krachtens
publiekrecht gaat het dan om de toepasselijke organisatie- of instellingswetten. De zelfstandige
positie kan blijken uit formulering van de wet of doordat een persoon of college belast is met een
bepaalde taak.
Organisatiewetten: wetten waarin de organisatiestructuur van van de in 2:1 BW genoemde
rechtspersonen is vastgelegd. Voorbeeld: de Gemeentewet. Zo kunnen als organen van de
gemeente worden aangemerkt alle personen, commissies of colleges die in titel II als onderdeel
van de gemeente gepresenteerd worden of op basis van het daarin bepaalde in het leven worden
geroepen.
Er is geen aparte wet waarin de organisatie van de staat uitputtend wordt beschreven, alleen
fundamenten te vinden in de GW. Het is daarom lastig te bepalen welke personen of colleges op
, rijksniveau een voldoende zelfstandige positie innemen om ze aan te kunnen merken als orgaan
van de Staat.
De GW biedt ten dele uitsluitsel, maar daarnaast moet soms de toepasselijke wet worden
geraadpleegd. Een belastinginspecteur moet bijv. worden aangemerkt als orgaan van de staat en
ook een gerechtsdeurwaarder zo blijkt uit de toepasselijke wetten. Het Kabinet van de Koning
wordt niet als orgaan van de staat aangemerkt.
Instellingswetten: de andere rechtspersonen krachtens publiekrecht (dus naast de Staat,
waterschappen etc) genoemd in 2:1 BW moeten hun grondslag hebben in een formele wet
(instellingswet). Deze instellingswet geeft doorgaans aan welke personen of colleges als de
organen van de rechtspersonen zijn aan te merken. Voorbeeld: de Politiewet.
B-organen:
A-organen zijn ook bestuursorganen indien ze feitelijk of privaatrechtelijk handelen. Het uitoefenen
van ‘openbaar gezag’ is dan ook niet relevant om te worden aangemerkt als a-orgaan.
Naast a-organen zijn er allerlei andere personen of colleges waaraan bepaalde publiekrechtelijke
taken of bevoegdheden zijn toegekend. Deze maken vaak onderdeel uit van een privaatrechtelijke
rechtspersoon. B-organen zijn slechts bestuursorgaan voor zover ze de aan hun toegekende
bevoegdheden uitoefenen en daardoor met ‘openbaar gezag’ zijn bekleed.
B-organen zijn niet in algemene zin bestuursorgaan.
Openbaar gezag komt neer op het ‘eenzijdig kunnen bepalen van de rechtspositie van
rechtssubjecten’. Dus of de persoon of college iemands rechtspositie positief (vb subsidie geven)
of negatief (vb boete) bepaalt. En de bevoegdheid moet gebaseerd zijn op een wettelijk voorschrift.
B-orgaan dus als hij een publiekrechtelijke rechtshandeling verricht (=besluit 1:3 Awb).
Adviseren is geen openbaar gezag indien ervan kan worden afgeweken. Ook niet wanneer het
advies vereist is voor het nemen van een besluit of verrichten van een handeling.
Met andere woorden een orgaan is een b-orgaan als het een besluit in de zin van 1:3 Awb kan
nemen.
Privaatrechtelijke organisaties worden soms ingeschakeld bij het verdelen van publieke gelden
terwijl ze daarvoor geen publiekrechtelijke bevoegdheid hebben dus zouden zij eigenlijk geen
bestuursorgaan zijn. Dit is ongunstig ivm met de rechtsbescherming omdat er dus geen sprake zou
zijn van een besluit (1:3 Awb) en dus geen beroep bij de bestuursrechter zou zijn (8:1 Awb).
Daarom publiektaakcriterium in de jurisprudentie ontwikkeld: overheidsgezag wordt ook
aangenomen indien sprake was van het uitvoeren van een overheidstaak die met overheidsgelden
was bekostigd. Zo fungeerde een privaatrechtelijke organisatie in feite als als ‘verlengde arm’ van
de overheid.
Criteria hierbij is voor de inhoudelijke band dat voor het verstrekken van uitkeringen of
voorzieningen in beslissende mate door een of meer a-bestuursorganen wordt bepaald. Wat
betreft de financiële band moet de verstrekking van uitkeringen of voorzieningen in overwegende
mate door a-bestuursorganen worden gefinancierd.
Er zijn organen van rechtspersonen krachtens publiekrecht die desondanks niet als a-
bestuursrecht worden aangemerkt omdat deze gelet op de trias politica daarvan juist
onderscheiden moeten worden. Deze uitzonderingen staan in 1:1 lid 2 Awb.
Zo is de wetgevende macht uitgezonderd en onafhankelijke rechters. Zij vormen namelijke andere
machten of zijn nauw betrokken bij de totstandkoming van wetten in formele zin (beide kamers
Staten-Generaal). De andere genoemde organen die uitzonderingen zijn hebben adviserende en
controlerende taken en dus ligt het niet voor de hand dat zij zelf als bestuursorgaan worden
aangemerkt.
Vrijwel alle uitgezonderde organen zijn lid van de Staat.
De uitgezonderde organen moeten wel als bestuursorgaan worden aangemerkt voor zover ze
besluiten nemen of handelingen verrichten jegens de onder hen werkzame ambtenaren (1:1 lid 3).
1:1 lid 4 bepaalt dat vermogensrechtelijke gevolgen van rechtshandelingen niet het orgaan zelf
treffen maar de rechtspersoon waartoe ze behoren.