Les 1
CanMed-rollen: zorgverlener, communicator en samenwerkingspartner.
Zorgverlener: hierbij verleen je zorg aan de patiënt. Stel de patiënt moet gewassen
worden, dan help je de patiënt eventueel. Je geeft de patiënt de juiste zorg en zorgt
ervoor dat de patiënt zich redt met de handelingen die de patiënt moet verrichten.
Communicator: hierbij gaat het om communiceren ‘op maat’, denk hierbij aan leeftijd,
etnische achtergrond, taalbeheersing, etc. Je moet goed kunnen inleven en op een open
en respectvolle manier communiceren.
Samenwerkingspartner: hierbij ga je handelen op basis van gelijkwaardigheid met de
patiënt en zijn naasten, eigen of andere disciplines, en met leidinggevenden. Zij deelt
kennis en informatie, en is gericht op samenwerking en overdracht. Daarnaast werken
verpleegkundigen ook samen met politie, woningbouwverenigingen, wijkcentra (om het
beste te willen voor de patiënten).
Verschillende verpleegkundige diagnosen van pijn, inclusief hoofd- en andere
kenmerken:
Ongemak: onaangename gewaarwording. Hierbij kan jeuk, immobiliteit, niet mogen eten
en/of drinken om nuchter te zijn, misselijkheid en braken optreden. Bij een patiënt die last
heeft van braken en misselijkheid moet vastgesteld worden of de diagnose ‘Ongemak’ moet
zijn.
Acute pijn: onaangename sensorische en emotionele gewaarwording voortkomend uit een
feitelijke of potentiële weefselschade of als zodanig beschreven: plotseling beginnend of
geleidelijk toenemend met een intensiteit van mild tot ernstig en een verwachte of
voorspelbare duur van minder dan zes maanden. Hierbij treden complicaties op zoals:
veranderde eetlust, zweten, rusteloosheid, kreunen en huilen.
Chronische pijn: zelfde principe als acute pijn, maar dan met een verwachte of voorspelbare
duur van meer dan drie maanden. Verschijnselen hierbij zijn ongemak, frustratie, depressie,
anorexie, slapeloosheid, roodheid en zwellingen.
Chronisch pijnsyndroom: de pathofysiologie hiervan bestaat uit vele factoren en is complex
en nog weinig begrepen. De verdere verschijnselen en etiologie hiervan is hetzelfde als bij
chronische pijn, alleen dan zijn de verschijnselen iets heftiger omdat er bij CPS meerdere
factoren aanwezig zijn.
Misselijkheid: een onaangenaam gevoel in golven opkomend gevoel achter in de keel of de
maag dat wel of niet kan leiden tot braken. Verschijnselen hierbij zijn afkeer van voedsel,
kokhalzen en zure smaak in mond. Etiologie hiervan is menstruatie, infectie, ontsteking in
het maag-darmkanaal, nierstenen en reis- en wagenziekte.
,Bevallingspijn: met bevalling en geboorte gerelateerde sensorische en emotionele ervaring
die kan variëren van kramp tot ernstige pijn en intense spanning die sterk kan variëren. Pijn
kan erger zijn wanneer het een jonge moeder is, wanneer moeder een rook- en/of
drankverslaving heeft of nog geen eerdere zwangerschap heeft gehad. Bij deze pijn wordt
gezocht naar afleiding, is de patiënt erg aan het zweten en erg angstig.
Vier interventies voor vroege herkenning en behandeling van pijn:
1. Vraag standaard driemaal per dag naar de hoeveelheid pijn op dat moment. Meet de pijn
met de Numerical Rating Scale (NRS). Bij de NRS wordt op een schaal van 0 (geen pijn)
tot 10 (ernstige pijn). Een cijfer onder de 4, wordt beschouwd als een acceptabele pijn
waardoor de patiënt in principe geen extra medicatie of andere interventie nodig heeft
om zijn/haar pijn te verminderen. De patiënt moet zelf de pijn score aangeven, dit kan
dus niet worden gedaan door familie o.i.d. De verpleegkundige vraagt bij elke dienst wat
de pijn score van iedere patiënt is. Dit is van belang omdat er dan elke dienst aandacht is
voor pijn, veel mensen ervaren pijn waardoor het belangrijk is om er veel aandacht aan
te besteden en patiënten vinden het over het algemeen fijn als er naar hun pijnscore
wordt gevraagd.
2. Registreer de pijnscores in het EPD (elektrisch patiëntendossier) of in het verpleegkundig
dossier. Dit heeft namelijk twee doelen. Ten eerste dient het als methode om bij de
individuele patiënt het effect van de pijnbehandeling te contoleren en indien nodig bij te
sturen. Ten tweede is het een noodzakelijke voorwaarde voor het effectief uitvoeren en
evalueren van het pijnbeleid en de pijnbehandeling. Het registreren van een pijnscore
heeft een vaste plaats op het metingsblad, samen met hartslag, bloeddruk, ademhaling
en temperatuur.
3. Pas bij een pijnscore van 4 of hoger, of wanneer de patiënt door pijn wordt gehinderd in
zijn functioneren, pijnbehandeling toe volgens protocol. Bij patiënten met matige of
ernstige pijn is het afnemen van een multidimensionale pijnanamnese geïndiceerd. De
multidimensionale pijnanamnese gaat uit van verschillende dimensies van pijn
(probleem, oorzaak en symptomen). De multidimensionale pijnanamnese is niet geschikt
voor patiënten op de SEH of voor postoperatieve mensen.
4. Geef patiëntenvoorlichting en betrek de patiënt bij zijn of haar behandeling.
Patiëntenvoorlichting is essentieel voor de uitvoering van een goede pijnbehandeling.
Goede voorlichting verhoogt het begrip van de patiënt voor zowel de pijnmetingen als de
pijnbehandelingsmethoden. De volgende onderwerpen kunnen bij patiëntenvoorlichting
aan bod komen: wat is pijn, gevolgen van pijn en niet behandelen, pijnbehandeling,
aanleren van gebruik van pijnscore en het stimuleren van de patiënt om zelf de pijn aan
te geven met gebruik van de pijnscore.
Daarnaast is het van groot belang om periodieke scholing te geven over pijnmeting en
pijnbehandeling voor medewerkers.
, Verschillende categorieën van niet farmacologische interventies:
Naast farmacologische interventies beschikken verpleegkundigen over een arsenaal aan
niet-farmacologische pijn verlichtende interventies, die aanvullende effecten kunnen hebben
op analgetica. In de literatuur worden die interventies onderverdeeld in een drietal
categorieën:
Fysieke of sensorische interventies. Denk hierbij aan anesthesie, massage en het
toedienen van warmte of koude.
Gedragsmatige interventies. Denk hierbij aan ontspanningsoefeningen.
Psychologische of cognitieve interventies. Denk hierbij aan afleiding en
autonomiebevordering.
Soorten indicatoren voor beoordeling pijn:
Er zijn drie soorten indicatoren waarmee pijn kan worden vastgesteld: fysiologische
indicatoren, gedragsobservaties en zelfrapportage. Fysiologische indicatoren die op pijn
kunnen duiden zijn verhoogde hartslag, versnelde ademhaling en een verhoogde
concentratie van het stresshormoon cortisol in het bloed. Bij gedragsobservaties wordt
ervan uitgegaan dat bepaalde gedragingen, zoals verkrampen, schreeuwen, huilen en
grimassen, duiden op de aanwezigheid van pijn. Bij zelfrapportage wordt aan de patiënt
gevraagd aan te geven hoeveel pijn hij of zij heeft.
Verschillende meetinstrumenten:
NRS (Numeric rating Sclale): cijfers geven de
pijnintensiteit aan.
VDS (Verbal Discriptor Scale): pijnintensiteit
wordt aangeduid met woorden (geen pijn,
beetje pijn, matige pijn, extreme pijn, etc.).
Ook kan er hierbij met gezichten worden
gewerkt, voor kinderen bijvoorbeeld.
VAS-score: een unidimensionale schaal, kijkt naar de mening van de patiënt, waarbij er op
schaal van 0 (geen pijn) tot 10 (ernstige pijn) wordt gekeken naar de hoeveelheid pijn. De
VAS is een horizontale lijn waarop de
patiënt een streepje moet zetten betreft
zijn/haar hoeveelheid pijn.
REPOS-schaal: pijnscore-schaal voor
ouderen met een uitingsbeperking. Er
wordt aan de hand van het gedrag van de
patiënt bepaald of de patiënt pijn heeft.
De REPOS-schaal telt tien gedragingen die