belevingswereld
Andere geesten en conceptueel scepticisme
Bij de binnenwereld of belevingswereld is het probleem dat er een groot contrast is tussen onze
eigen bewustzijnsinhouden die we alleen zelf kunnen ervaren, en de bewustzijnsinhouden van
andere mensen van wie we:
à Rechtstreeks het gedrag kunnen waarnemen.
à Onrechtstreeks de bewustzijnsinhouden kunnen afleiden.
Bijvoorbeeld:
Als ik kiespijn heb, kan alleen ik mijn kiespijn ook echt voelen, letterlijk ‘aan den lijve ondervinden’.
Maar wel kan een ander: mijn jammerklachten aanhoren en mij naar de tandarts zien rennen en
redelijkerwijs afleiden dat ik kiespijn heb.
Onze pogingen zullen tevergeefs zijn, zolang:
• de betrokkene geen minimum aan eigen ervaringen heeft waarop we kunnen voortbouwen
• we geen redenen hebben om te veronderstellen dat zijn of haar ervaringen voldoende
vergelijkbaar zijn met de onze
We proberen het filosofisch probleem van de andere geesten te ontrafelen door na te gaan op welke
gronden we veronderstellingen kunnen maken en proberen de kloof te overbruggen tussen onze
eigen bewustzijnsinhouden waarmee we ‘als geen ander’ vertrouwd zijn en de bewustzijnsinhouden
van anderen die we menen te kunnen opmaken aan de hand van hun uitspraken en hun gedrag.
Het probleem van andere geesten
De toegang tot onze eigen belevingswereld en de toegang tot de belevingswereld van andere
personen wordt in de filosofie het probleem van ‘andere geesten’ genoemd. Het probleem is dat we
niet rechtstreeks in het hoofd van iemand anders kunnen kijken en bestaat uit drie deelproblemen:
1. Het metafysisch probleem:
à Wat heeft buiten ons mensen bewustzijn en wat niet?
Welke dieren hebben bewustzijn? Machines? Zijn er soorten en gradaties van bewustzijn?
2. Het epistemologisch probleem:
àKunnen we zeker weten dat anderen bewustzijn hebben?
Waar is kennis van bewustzijnsinhouden van anderen op gebaseerd? Kunnen we weten of iemand
anders dezelfde ervaringen heeft als wij? En zo ja, hoe?
3. Het conceptueel probleem:
à Kunnen we de begrippen die we gebruiken om ons eigen mentaal leven te bevatten ook gebruiken
om het mentaal leven van iemand anders te begrijpen?
Hoe kan mijn concept van ‘pijn’ ooit verder reiken dan mijn ‘pijn’? Of andersom: kan ik wel de
‘eigenaar’ zijn van mijn ‘pijn’ in die zin dat iemand anders de ‘eigenaar’ kan zijn van zijn of haar ’pijn’?
Veronderstelt een concept als ‘pijn’ niet dat we ‘eigenaars’ buiten beschouwing laten?
,Eliza-experiment
Een voorbeeld van het probleem van de ‘andere geesten’ is het Eliza-experiment, ontwikkeld door
Joseph Weizenbaum. Hij maakte tussen 1964 en 1966 een computerprogramma. Proefpersonen
konden via een toetsenbord en een scherm met ‘Eliza’ ‘praten’. Zij wisten niet dat Eliza geen mens
van vlees en bloed was. Eliza was geprogrammeerd naar het model van psychotherapeutische
gesprekken. Proefpersonen raakten emotioneel betrokken en weigerden Weizenbaum de
transcripties van gesprekken te laten lezen omdat dat hun privacy zou schenden.
Het voorbeeld laat zien dat we:
• Ons kunnen vergissen wanneer we bewustzijn en bewustzijnsinhouden toeschrijven aan iets
of iemand anders.
• Er een sterke neiging toe hebben om bewustzijnsinhouden toe te schrijven aan iets of
iemand anders.
We interpreteren gretig het gedrag van anderen in termen van bewustzijnsinhouden waarmee we,
strikt genomen, enkel bij onszelf vertrouwd zijn. We doen dat omdat we op basis van dergelijke
veronderstellingen richting kunnen geven aan hoe we met anderen communiceren en omgaan.
,Solipsisme en zelf
Solipsisme: het geloof dat er in de hele wereld maar één bewustzijnsvorm is en dat jij die ene
gelukkige bent (solus- alleen, ipse- zelf). Kennis van iets buiten de eigen geest is onzeker, daarom is
er geen objectieve waarheid en niets over de buitenwereld en de werking ervan kan worden gekend.
Het solipsisme lost in één klap alle filosofische (deel)problemen op:
1. het metafysisch probleem: buiten jou is er totaal geen sprake van bewustzijnsvormen.
2. het epistemologisch probleem: jij bent er zeker van dat jij bewustzijn hebt, maar bovendien kan je
je onmogelijk vergissen op het gebied van je eigen bewustzijnsinhouden.
3. het conceptueel probleem: er zijn geen andere bewustzijnsinhouden die jij met jouw begrippen
zou moeten proberen te begrijpen.
Solipsisme en Descartes
Descartes komt aardig in de buurt van het solipsisme met zijn ‘Cogito ergo sum’.
Twijfel aan Descartes: op het eerste gezicht lijkt de denkstap ‘ik denk, dus ik besta’ overtuigend.
Maar bij nader inzien is het de vraag of deze redenering klopt. Hij zegt alles in twijfel te hebben
getrokken, maar dat er tenminste één ding is dat niet verder betwijfeld kan worden. En dat is de
rede, die zelf alle mogelijke opvattingen ter discussie stelt.
En hier lijkt Descartes stiekem uit te gaan van enkele substantiële veronderstellingen: hij heeft niet
alle opvattingen in twijfel getrokken. Het gaat om twee veronderstellingen:
à Descartes veronderstelt dat die res cogitans zomaar zelfstandig kan worden gedacht, in gedachten
geïsoleerd als een iets, een ding, los van alle andere dingen.
à Descartes gaat er van uit dat hij meteen toegang heeft tot de ware aard van dat iets, namelijk dat
het in wezen een res cogitans is.
De meeste historici zijn het erover eens dat Descartes’ cogito ergo sum-redenering, opgevat als een
argument, circulair is. Omdat Descartes precies datgene veronderstelt waar het hem om te doen is:
dat de geest los gedacht kan worden van het lichaam.
De filosoof Hintikka (1962) biedt een oplossing: het cogito is geen argument maar een ‘speech act’.
Descartes is een richting ingeslagen die de koers van de vroegmoderne wijsbegeerte in belangrijke
mate heeft bepaald. Want het ‘ik’, het ‘Zelf’ is in deze redenering om drie redenen
intrinsiek solipsistisch: een bewustzijnsvorm die
1. geen uitgebreidheid heeft in de ruimte
2. niet noodzakelijk gelokaliseerd is in een lichaam
3. overtuigd kan zijn van zijn eigen bestaan als res cogitans en van zijn eigen bestaan alleen.
Introspectie
Descartes baseert de afleiding van zijn eigen bestaan als res cogitans uitsluitend op het gegeven dat
hij exclusief toegang heeft tot zijn eigen bewustzijnsinhouden: introspectie.
Descartes gelooft dat hij vervolgens op ‘dezelfde redelijke grond’ het bestaan van god en de
buitenwereld kan bewijzen. De bewijzen van Descartes aangaande het bestaan van god en de
buitenwereld zijn het solipsisme ver voorbij. Onderwerp van discussie is of het cogito-argument een
echt argument is en of het ook de toon zet voor zijn bewijs van god en van de buitenwereld.
Behalve Descartes komt ook Hume via introspectie tot een zelfbegrip. Descartes en Hume hebben
wel een ander zelf-begrip:
à Het Zelf bij Descartes: één en ondeelbaar, bewust en niet-uitgebreid.
à Het Zelf bij Hume: een bundel van ervaringen, overtuigingen, herinneringen en niet iets wat daar
los van staat of los van kan worden gedacht. Het is een continu komen en gaan van ervaringen,
herinneringen, een continu in beweging zijn.
, Descartes
Over de natuur van de menselijke geest: dat deze beter te kennen is dan het lichaam.
Alle twijfels weglaten
Descartes zegt in zijn Meditaties over de eerste filosofie, dat hij zijn best zal doen in zijn denken alles
weg te laten wat maar de minste twijfel toelaat. Hij gaat door tot hij iets zekers zal vinden en als hij
niets vindt, tenminste als zeker kan beschouwen dat niets zeker is. Hij schrijft: “Er staan zeker grote
dingen te wachten, als ik maar iets heel kleins kan vinden dat zeker en onwrikbaar is.”.
De denk-weg die Descartes bewandelt is alles met twijfel weg te laten. Hij veronderstelt dus dat:
• alles wat hij ziet onwaar is
• het geheugen bedrieglijk is
• hij geen zintuigen heeft
• lichaam, vorm, uitgebreidheid, beweging en plaats sprookjes zijn
Besta ‘ik’ dan wel?
Descartes heeft zich er al van overtuigd dat er in de wereld helemaal niets bestaat: geen hemel, geen
aarde, geen geesten, geen lichamen: is het dan niet zo dat ook ‘ik’ niet besta?
Maar zegt hij: als ik me ergens van overtuigd heb, besta ik zeker wel! Ook al bestaat er een bedrieger
dan zal deze nooit voor elkaar krijgen dat “ik niets ben, zolang ik zal denken dat ik iets ben.”
Daarom zegt Descartes: “Moet ik ten slotte vaststellen dat deze uitspraak Ik ben, ik besta
noodzakelijk waar is, zo vaak als ik het me in mijn geest bedenk.”
Maar vervolgens stelt Descartes zich de vraag wat dit ‘ik’ nou eigenlijk is. In Descartes komen de
volgende termen op:
1. Lichaam: hij heeft een gezicht en handen, een hele machine van ledematen.
2. Ziel: hij voedt zich, hij loopt, ervaart en denkt.
Maar denkt hij verder: wat nu als een kwaadaardige bedrieger zich de moeite getroost mij zoveel
mogelijk in alles te bedriegen? Dan is er niets meer over van wat tot het lichaam behoort. Maar hoe
staat het dan met wat ik aan de ziel toeschreef? Me voeden of lopen? Als ik geen lichaam meer heb,
zijn dat ook niets anders dan verzinsels. Ervaren? Ook niet zonder lichaam mogelijk. Maar denken
dan?
Cogito ergo sum
Het denken bestaat, dit is het enige wat me niet kan worden afgenomen. Ik ben, ik besta dat is zeker.
Ik ben dus in strikte zin alleen maar een denkend ding, dat wil zeggen een geest, een gemoed, een
intellect of een rede. Ik ben dus een ding dat echt bestaat. Maar wat voor soort ding ben ik dan? Een
denkend ding.
Fantaseren en voorstellingen: wat is ‘ik’?
Descartes weet nu dat hij bestaat, hij gaat nu uitzoeken wie die ‘ik’ is waarvan hij dat weet. Hiervoor
moet Descartes fantaseren. Het woord fantaseren wijst Descartes op zijn fout. “Want ik fantaseer
inderdaad, als ik me iets zou voorstellen bij wat ik ben. Een voorstelling maken is niets anders dan
een vorm of een beeld van een lichamelijk ding bedenken.”
Descartes weet nu dat de dingen die hij met behulp van zijn voorstelling kan begrijpen, niets te
maken hebben met de notie die hij van zichzelf heeft.
Blijft de vraag: Wat ben ik dan wel? -> Een denkend ding -> Wat is dat? -> Dat is iets wat wil en niet
wil, twijfelt, begrijpt, ontkent, bevestigt , en ook iets dat voorstellingen heeft en ervaart.