tijdvak 8 burgers en stoommachines (1800-1900)
k.a 31: de industriële revolutie die in de westerse wereld de basis legde voor een
industriële samenleving
tot aan 1750: hand en werktuigen > kleinschalig
vanaf 1775: industriële revolutie, machines en stoommachines > schaalvergroting
- Oorzaken:
Ondernemers en uitvinders
Koloniale overheersing (Groot-Brittannië)
- Belangrijkste energiebron: steenkool
- Belangrijkste materiaal: ijzer
Uit India kwam katoen (was goedkoop en makkelijker te bewerken) >> er kwam meer vraag >>
spinners en wevers kregen het te druk >> nieuwe technieken >> gemechaniseerde productie >>
sneller, groter, goedkoper >> veel export >> import uit VS >> industrialisatie over de hele wereld
- Industriële samenleving > grootste deel in stad, industrie en diensten. Iedereen verhuisde naar
de stad.
- De landbouwproductie ging omhoog > de bevolking groeide
De bevolking kon groeien omdat er geen virussen meer waren door de uitvinding van het
vaccin (medische revolutie)
Doordat de bevolking groeide kwam er daardoor ook gelijk meer vraag naar textiel
Kapitalisten > geld beleggen in industrie en handel
Middenklassen > leraren, ambtenaren, artsen, winkeliers, kantoorpersoneel
Industrie arbeiders > boeren, landarbeiders en ambachtslieden
Loon lager > fabrikanten meer winst, arbeiders laag loon dus veel werken
Transport revolutie door aanleg wegen, trein en kanaal
- De treinenbouw bevorderde:
De machine industrie
Steenkool & ijzerwinning
Handel
Groei steden
2e industriële revolutie (1850-1900) > mogelijk door universiteiten, vooral in Duitsland en VS door
wet van de remmende voorsprong
- Belangrijkste energiebronnen: elektriciteit en olie
- Belangrijkste materiaal: staal
Staalindustrie > bruggen, hoge gebouwen
Chemische & elektronische industrie > gloeilamp, telefoon, kunstmest, plastics en pijnstillers
Er was een enorme toename van de productie, waardoor de prijzen daalde.
, k.a 32: de opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen: liberalisme, socialisme,
nationalisme, confessionalisme en feminisme
ondergang napoleon
naoorlogse orde (1814-1815)
Machtsevenwicht in Europa door congres van Wenen
koningen
Frankrijk en Nederland > monarchie
GB, Oostenrijk, Pruisen en Rusland > samen vrede handhaven (1815)
Mensen wouden meer macht door Franse Revolutie
Nieuwe politiek-maatschappelijke stromingen:
- Liberalisme > streven naar vrijheid
Kreeg aanhang onder de burgerij, door het censuskiesrecht.
Komt vanuit de verlichting
Wet voor iedereen, economische vrijheid en overheid moet alleen orde houden
- Nationalisme > liefde voor eigen volk
Volken hadden recht op eigen (natie)staat
Volken moeten over eigen lot beslissen
Begint bij Napoleon die dienstplicht in stelt
Komt op voor adel en middenklasse
- Conservatisme > streven naar behoud bestaande toestand
Vrijheid en gelijkheid = gevaarlijk, chaos
Vasthouden historisch gegroeide instellingen
Leiding van de kerk, adel, monarchie en leger het beste
- Socialisme > meer gelijkheid
Vooral voor de arbeiders
Het stamt uit de ideeën van de verlichting
Staatssocialisme: bedrijven in handen van de overheid
- Anarchisme > wereld zonder overheid
Individueel centraal
Gezag is onderdrukking en ongelijkheid
- Reformisme > het lot van arbeiders verbeteren
Parlementaire democratie (regering verantwoordelijk en iedereen heeft kiesrecht)
- Confessionalisme > samenleving op basis van christelijke normen en waarden
Richten zich op onderwijs: overheid gaf alleen subsidie aan openbaar onderwijs want daar
was vrijheid van denken > schoolstrijd (1848) > protestantse en katholieke verzuiling >
vanaf 1917 werd ook bijzonder onderwijs gefinancierd
In Duitsland kwamen allemaal antikatholieke maatregelen, ze kwamen hun rechten
verdedigen d.m.v. een politieke partij
In Nederland voelden de katholieken zich achtergesteld
k.a 31: de industriële revolutie die in de westerse wereld de basis legde voor een
industriële samenleving
tot aan 1750: hand en werktuigen > kleinschalig
vanaf 1775: industriële revolutie, machines en stoommachines > schaalvergroting
- Oorzaken:
Ondernemers en uitvinders
Koloniale overheersing (Groot-Brittannië)
- Belangrijkste energiebron: steenkool
- Belangrijkste materiaal: ijzer
Uit India kwam katoen (was goedkoop en makkelijker te bewerken) >> er kwam meer vraag >>
spinners en wevers kregen het te druk >> nieuwe technieken >> gemechaniseerde productie >>
sneller, groter, goedkoper >> veel export >> import uit VS >> industrialisatie over de hele wereld
- Industriële samenleving > grootste deel in stad, industrie en diensten. Iedereen verhuisde naar
de stad.
- De landbouwproductie ging omhoog > de bevolking groeide
De bevolking kon groeien omdat er geen virussen meer waren door de uitvinding van het
vaccin (medische revolutie)
Doordat de bevolking groeide kwam er daardoor ook gelijk meer vraag naar textiel
Kapitalisten > geld beleggen in industrie en handel
Middenklassen > leraren, ambtenaren, artsen, winkeliers, kantoorpersoneel
Industrie arbeiders > boeren, landarbeiders en ambachtslieden
Loon lager > fabrikanten meer winst, arbeiders laag loon dus veel werken
Transport revolutie door aanleg wegen, trein en kanaal
- De treinenbouw bevorderde:
De machine industrie
Steenkool & ijzerwinning
Handel
Groei steden
2e industriële revolutie (1850-1900) > mogelijk door universiteiten, vooral in Duitsland en VS door
wet van de remmende voorsprong
- Belangrijkste energiebronnen: elektriciteit en olie
- Belangrijkste materiaal: staal
Staalindustrie > bruggen, hoge gebouwen
Chemische & elektronische industrie > gloeilamp, telefoon, kunstmest, plastics en pijnstillers
Er was een enorme toename van de productie, waardoor de prijzen daalde.
, k.a 32: de opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen: liberalisme, socialisme,
nationalisme, confessionalisme en feminisme
ondergang napoleon
naoorlogse orde (1814-1815)
Machtsevenwicht in Europa door congres van Wenen
koningen
Frankrijk en Nederland > monarchie
GB, Oostenrijk, Pruisen en Rusland > samen vrede handhaven (1815)
Mensen wouden meer macht door Franse Revolutie
Nieuwe politiek-maatschappelijke stromingen:
- Liberalisme > streven naar vrijheid
Kreeg aanhang onder de burgerij, door het censuskiesrecht.
Komt vanuit de verlichting
Wet voor iedereen, economische vrijheid en overheid moet alleen orde houden
- Nationalisme > liefde voor eigen volk
Volken hadden recht op eigen (natie)staat
Volken moeten over eigen lot beslissen
Begint bij Napoleon die dienstplicht in stelt
Komt op voor adel en middenklasse
- Conservatisme > streven naar behoud bestaande toestand
Vrijheid en gelijkheid = gevaarlijk, chaos
Vasthouden historisch gegroeide instellingen
Leiding van de kerk, adel, monarchie en leger het beste
- Socialisme > meer gelijkheid
Vooral voor de arbeiders
Het stamt uit de ideeën van de verlichting
Staatssocialisme: bedrijven in handen van de overheid
- Anarchisme > wereld zonder overheid
Individueel centraal
Gezag is onderdrukking en ongelijkheid
- Reformisme > het lot van arbeiders verbeteren
Parlementaire democratie (regering verantwoordelijk en iedereen heeft kiesrecht)
- Confessionalisme > samenleving op basis van christelijke normen en waarden
Richten zich op onderwijs: overheid gaf alleen subsidie aan openbaar onderwijs want daar
was vrijheid van denken > schoolstrijd (1848) > protestantse en katholieke verzuiling >
vanaf 1917 werd ook bijzonder onderwijs gefinancierd
In Duitsland kwamen allemaal antikatholieke maatregelen, ze kwamen hun rechten
verdedigen d.m.v. een politieke partij
In Nederland voelden de katholieken zich achtergesteld