Inhoudsopgave
Subacromiale klachten................................................................................................................................... 2
Frozen shoulder............................................................................................................................................. 6
Klachten aan de arm, nek en/of schouder (KANS)......................................................................................... 12
Reumatoïde artritis...................................................................................................................................... 18
Meniscectomie............................................................................................................................................ 27
Acuut knieletsel........................................................................................................................................... 32
Revalidatie na VKB reconstructie.................................................................................................................. 39
Enkelletsel................................................................................................................................................... 45
Artrose heup-knie........................................................................................................................................ 52
Osteoporose................................................................................................................................................ 57
Nekpijn........................................................................................................................................................ 64
Whiplash..................................................................................................................................................... 70
Lage rugpijn................................................................................................................................................. 73
Lumbosacraal radiculair syndroom (NHG).................................................................................................... 79
Beroerte...................................................................................................................................................... 83
Ziekte van Parkinson.................................................................................................................................... 94
Chronisch obstructieve longziekten............................................................................................................ 103
Symptomatisch perifeer arterieel vaatlijden............................................................................................... 114
Hartrevalidatie........................................................................................................................................... 122
Beweeginterventie diabetes mellitus type 2............................................................................................... 132
1
,Subacromiale klachten
Definitie subacromiale klachten: omvat klachten voorkomend uit aandoeningen van structuren in de
subacromiale ruimte, meestal veroorzaakt door inklemming van de rotatorcuffpezen in de
subacromiale ruimte.
Tijdens het heffen van de schouder is voornamelijke sprake van inklemming van de pees van de m.
supraspinatus, wat leidt tot de ‘ painful arc’ .
Provorcerende houdingen of bewegingen, zoals werpen, leiden vooral tot inklemming van de pezen
van de m. infraspinatus, m. subscapularis en m. biceps brachii (caput longum).
Tegenwoordig wordt subacromiaal impingement meer gezien als een symptoom en moet de oorzaak
van de klachten worden gezocht.
Beloop: 30% hersteld na 6 weken/ 50% na 6 maanden/ 60% na 12 maanden
Ongunstige prognostische factoren: langdurig bestaande klachten bij eerste consult/ ernstige pijn/
geleidelijk ontstaan klachten/ nekpijn/ functiestoornissen van CTO/ ongustige werkgerelateerde en
psychosociale factoren
Glenohumerale instabiliteit en scapulothoracale disfuncties kunnen leiden tot het ontstaan van de
klachten, dan wel de klachten in stand houden.
Ernstige pathologie en bijbehorende differentiaaldiagnosen
- Infectueus proces (septische artritis), polymyalgia rheumatica, cholecystitis, metastasen:
Ernstige en/of persisterende klachten, dubbelzijdige schouderklachten, lichamelijke klachten
elders, koorts, malaise of gewichtsverlies
- Cervicaal radiculair syndroom: Heftige uitstralende pijn, tintelingen in arm of hand,
samenhangend met nekbewegingen of verminderde kracht van de arm- of handspieren
- Pneumonie, agina pectoris, acuut coronair syndroom: Dyspneu, pijn op borst
- Reumatoide artritis: gewrichtsklachten elders, RA in voorgeschiedenis, tekenen van synovitis,
zoals warmte of koorts
- Klachten die niet passen bij de leeftijd, bijvoorbeeld bewegingsbeperking op jonge leeftijd.
Diagnostisch proces
Op basis van het klinisch beeld kan een indeling worden gemaakt in de 3 diagnostische groepen
1. Schouderklachten met passieve bewegingsbeperkingen, voornamelijk in exorotatie en/of
abductie richting
2. Schouderklachten zonder passieve bewegingsbeperkingen en met een pijnlijk traject in de
abductie
3. Overige schouderklachten zonder passieve bewegingsbeperkingen en zonder pijn in het
abductietraject
2
, o Voor vaststellen van subacromiale klachten kunnen Hawkins-Kennedy test en het teken van
Neer worden gebruikt. Bij positieve score op beide tests is de diagnose betrouwbaarder
gesteld dan wanneer slechts 1 test of geen van beide positief scoort.
o Voor aantonen van verandering in de structuur van de m. supraspinatuspees kunnen de
Jobe-test en de Drop-arm test worden gebruikt. De Jobe-test blijkt vooral geschikt voor het
aantonen van volledige peesrupturen van de m. supraspinatus, bij zwakte (patiënt kan arm
niet omhoog houden) als criterium voor positieve uitslag.
o Bij vermoeden van een full-thickness, ofwel een complete rotatorcuffruptuur, wordt
aanbevolen de patiënt te verwijzen naar de huisarts
o Specifieke testen voor rupturen van m. subscapularis of m. infraspinatus zijn buiten
beschouwing omdat deze aandoening sporadisch voorkomen.
Actieve abductie
Uitgangspositie: patient staat met armen afhangend
Uitvoering: patient brengt actief de arm in 180 graden abductie (duimen wijzen naar lateraal)
Uitslag: test is positief als er een pijnlijk traject optreedt tijdens een deel van he ttraject van de
actieve abductie of aan het eind van dit traject. In dat geval wordt verondersteld dat een of
meerdere structuren in de subacromiale ruimte zijn aangedaan
Teken van Neer
Uitgangspositie: de onderzoeker staat naar de patient
Uitvoering: de onderzoeker stabiliseert met 1 hand de scapula aan de aangedane zijde van de patient
om laterorotatie van de scapula te voorkomen. Met de andere hand brengt de onderzoeker de
aangedane arm in anteflexie (arm is in endorotatie), totdat de patient pijn aangeeft of totdat de
volledige uitslag is bereikt
Uitslag: de test is positief als de patient pijn aangeeft voordat volledige anteflexie is bereikt.
3
, Hawkins-Kennedy test
Uitgangspositie: onderzoeker staat voor de patient
Uitvoering: de onderzoeker brengt de 90 graden geflecteerde elleboog van de patient in anteflexie
tot 90 graden. In deze stand beweegt de onderzoeker de arm in endorotatie
Uitslag: positief bij herkenbare pijn
Drop-arm test
Uitgangspositie: patient zit op stoel of bank
Uitvoering: de onderzoeker brengt de arm in abductie totdat de volledige bewegingsmogelijkheid is
bereikt. De patient beweegt daarna de arm langzaam terug langs hetzelfde traject.
Uitslag: positief als de patient de arm plotseling laat vallen of als de patient hevige pijn ervaart
Jobe-test
Uitgangspositie: onderzoeker staat voor de patient
Uitvoering: de onderzoeker brengt bij de patient beide armen passief in 90 graden abductie en 30
graden horizontale adductie, terwijl de duimen naar de grond wijzen (armen in endorotatie).
Vervolgens drukt de onderzoeker de armen van de patient naar beneden, terwijl de patient probeert
de armen in de bereikte positie te houden
Uitslag: positief als de patient de positie niet kan behouden en de arm daalt terwijl er pijn optreedt
Therapeutisch proces
Doel van behandeling is verminderen van pijn, verbeteren van de functie (mobiliteit, bewegings- en
spierfunctie) van de schoudergordel, verbeteren van activiteiten en het opheffen van belemmerende
persoonlijke of omgevingsfactoren.
Therapie is afhankelijk van bevindingen uit diagnostisch proces, vooral met betrekking tot het
ontstaan van de klachten (bijvoorbeeld provocerende bewegingen), ongunstige prognostische
factoren en stoornissen in de mobiliteit van de bewegings- en spierfunctie van de schoudergordel.
Laatste genoemde komen vooral voor bij secundair impingement die wordt veroorzaakt door
bijvoorbeeld glenohumerale hypomobiliteit, hypomobiliteit van CWK, TWK en CTO, glenohumerale
instabiliteit en scapulathoracale disfunctie
- Na onvoldoende resultaat is operatie alleen geindiceerd bij aantoonbare structurele
afwijkingen (geldt alleen voor primaire impingement)
Aanbeveling
- Pas oefentherapie toe om de bewegingsfunctie (propioceptie en spiercontrole) en de
spierfunctie (spierkrach en uhv) van verzwakte rotatorcuffspieren en scapulastabilisatoren te
vergroten en om de spierlrengte van de verkort spierweefsel te mobiliseren door middel van
stretch- en rekoefeningen
- Voorwaarde voor oefentherapie is een goede mobiliteit van de schoudergordelgewrichten
(glenohumeraal, scapulothoracaal, acromioclaviculair en sternoclaviculair). Oefen met
(geleid) actieve bewegingen het glenohumerale en scapulathoracale gewricht.
Om craniaalwaartse migratie van humeruskop tegen te gaan, kan isometrische adductie
worden toegepast tijdens elevatie van de arm, in verschillende graden van de abductie
- Pas manuele mobilisaties toe van schoudergordelgewrichten, CWK, CTO en TWK. Indien dit
noodzakelijk is uit het lichamelijk onderzoek
- Een kwalitatief goede bewegings- en spierfunctie van de schoudergordelspieren is belangrijk.
Deze moeten zoveel mogelijk functioneel worden getraind.
- Wees terughoudend met het uitvoeren van fricties
Hanteer een behandelduur van globaal 6-12 weken. Binnen deze periode moet er effect zijn
opgetreden op pijn en beperking in activiteit
4