Toets op 21 maart over alle hoofdstukken behalve 3, 4, 5
Hoofdstuk 1) Het terrein van ontwikkelingspsychologie
‘Ontwikkeling wordt opgevat als een reeks progressieve veranderingen die tot hogere niveaus van
differentiatie en functioneren leiden.’
Essentiële kenmerken van ontwikkeling zijn:
• Verandering
• Vooruitgang (progressie)
Rijping is omvattend voor verandering en vooruitgang:
• Van klein naar groot (groei)
• Van eenvoudig naar complex (differentiatie)
Ontwikkelingspsychologie houdt zich bezig met twee kwesties:
1. Welke psychologische toestanden doorlopen individuelen tijdens hun ontwikkeling?
2. Welke mechanismen zijn verantwoordelijk voor de overgang van de ene toestand naar de
volgende?
Ontwikkelingsperioden
Babyperiode (0-12 maanden)
- Het kind loopt nog niet;
- Het kind is geheel afhankelijk van zorg en bescherming;
- Het groei- en ontwikkelingstempo ligt erg hoog (vooral op motorisch gebied);
- Belangrijke ontwikkeling op het gebied van de eerste gehechtheidsrelatie.
Peuterperiode (1-4 jaar)
- Ondernemend en zelfbewust;
- Nieuwe vaardigheden zorgen voor verkenning mogelijkheden en leerervaringen;
- Taalontwikkeling vormt basis voor sociale en communicatieve vaardigheden;
- Maken kennis met anderen, bijvoorbeeld kinderdagverblijf;
- Egocentrisme: peuters denken uit hun eigen belevingswereld en kunnen zich nog niet in
anderen verplaatsen.
Kleuterperiode (4-6 jaar)
- Meer op kinderen gericht;
- Beschikt over een rijke fantasie;
- Het accent verschuift van spelen naar leren;
- Meer contact met leeftijdgenootjes
Schoolperiode (6-12 jaar)
- Cognitieve ontwikkeling kent een belangrijke plaats
- In contact met leeftijdgenoten (sport- of hobbyactiviteiten) en met volwassenen
Adolescentie (12-18 jaar)
- Ingeluid door de puberteit
- Ontwikkeling seksualiteit en identiteit
- Voortgezet onderwijs
- Leeftijdsgenoten net zo belangrijk als de ouders
Volwassene (vanaf 18 Jaar)
, Tweedeling kinder- of jeugdjaren
Kinderen (0-12 jaar)
Jeugdigen of jongeren (12-18 jaar)
Onderzoekers en leren
John Lock (1632-1704)
Kind in onbeschreven blad. Geen erfelijke bagage. Ervaring bepaalt levensloop. Ouders moeten
zorgen voor een strikte opvoeding, dan volgt optimale zelfdiscipline en vorming van geest.
Jean Jacques Rousseau (1712-1778)
Gevoel is belangrijk. Mens is van nature goed. Onbedorven kind met zijn nieuwsgierigheid en energie
heeft slechts ruimte, respect en stimulans nodig. Geen beperking of correctie van opvoeder of
leermeester.
Charles Darwin (1809- 1882) (‘Survival of the fittest’)
19e Eeuw: Baby biografieën (vooral beschrijvend)
Locke en Rousseau hebben nooit echt onderzoek gedaan naar de ontwikkeling van menselijk gedrag.
Charles Darwin heeft dit wel gedaan, maar hierbij zijn kanttekeningen te maken:
• Hij observeerde zijn eigen zoon
• Observaties werden niet systematisch verricht
• Interpretaties waren subjectief (mede dankzij vaderrol)
Ontwikkeling meten
Dwarsdoorsnede onderzoek:
• Op een tijdstip de meetresultaten van de groepen van verschillende leeftijd vergelijken.
• Snel en goedkoop.
• Mogelijke verwarring tussen ontwikkelings- en cohorteffect.
• Geen individuele ontwikkeling te volgen.
Longitudinaal onderzoek
• Op meerdere tijdstippen de meetresultaten van een groep vergelijken.
• Langdurig en duur, Mogelijk uitval van proefpersonen.
• Geen verwarring tussen ontwikkelings- en cohorteffect.
• Individuele ontwikkeling is zichtbaar.
Correlatie: verband/samenhang tussen 2 factoren.
Operationaliseren: eigenschap vertalen zodat je het kan meten.
Betrouwbaarheid: meting levert, ongeacht tijdstip of de persoon die de meting verricht, steeds
hetzelfde resultaat op.
Validiteit: meet het instrument wat het moet meten (is het geldig).
cohort: groep mensen met hetzelfde geboortejaar.
, Hoofdstuk 2) Ontwikkelingspsychologische theorieën
Sigmund Freud (1856-1919)
Tot in de jaren ’60 van de vorige eeuw enorm invloedrijk.
Es, Ich en Uber-Ich
Es: wil de driften zo snel mogelijk bevredigen.
Ich: je kunt je driften maar beter beteugelen, want je omgeving moet je accepteren.
Über-ich: onze innerlijke rechter geeft aan wat goed of fout is. Schuld- en schaamtegevoelens zijn
uitingen van het Über-ich.
Es Ich Über-ich
Uiterste Bemiddelaar Uiterste
Vijf psychoseksuele stadia van Freud
1. Orale fase (0-1 jaar)
2. Anale fase (1-3 jaar)
3. Fallische fase (3-6 jaar)
4. Latentiefase (6-12 jaar)
5. Genitale fase (na 12 jaar)
Wanneer een bepaalde fase niet goed verloopt, iemand hier in zijn volwassen leven nog last van
krijgt. Er is dan sprake van fixatie.
1. Orale fase (0-1 jaar)
Baby’s voelen met hun mond en bevrediging vindt plaats door middel van zuigen en eten. De
moeder speelt hierbij een belangrijke rol (denk aan borstvoeding). Orale fixatie kan ontstaan
door te vroeg onthouden borstvoeding.
2. Anale fase (1-3 jaar)
Het kind geniet van controle over de sluitspier. Hierbij komt de Ich in beeld, het kind wordt
gehoorzaam en dus zindelijk. Naar de verwachting van zijn omgeving. Anale fixatie kan
voorkomen door dwangmatig handen wassen.
3. Fallische fase (3-6 jaar)
Kinderen voelen zich sterk aangetrokken tot de ouder van het andere geslacht en zien de
ander als rivaal. Bij jongens leidt deze spanning tot castratieangst, de angst dat de vader de
penis zal afnemen. Dit kan worden opgelost doordat de zoon zich met de vader gaat
identificeren. De meisjes hebben hier in tegen last van penisnijd, jaloers zijn op degene die er
wel een heeft.