Les 3.1 Psychische functies
benoemen welke psychische functies er zijn;
Psychische functies:
1. cognitief Heeft met denken te maken
2. conatief Willen en doen
3. affectieve emoties, gemoedstoestanden en gevoelens
benoemen welke psychische functiestoornissen er zijn;
Stoornissen cognitieve functies:
Bewustzijn, aandacht en oriëntatie
Bewustzijn: Toestand waardoor men een besef heeft van zichzelf en zijn
omgeving
Oriëntatie: Tijd, ruimte en andere personen
Inprenting en geheugen
Inprenting: opbergen van ervaringen, of in het algemeen informatie
Geheugen: beïnvloed de waarneming
Intellectuele functies:
Oordeelsvermogen realiteitsbesef, zelfinschatting, normbesef en
decorumbesef.
Het ziekte-inzicht Ziektebesef, ziekteverklaring en het ziektegedrag.
Het abstractievermogen Het vermogen om te generaliseren en te classificeren.
De executieve functies Stellen ons in staat tot ingewikkelde handelingen.
De intelligentie
De taal
Het rekenen
Voorstelling, waarneming en zelfwaarneming
Denken
Stoornissen in de affectieve functies: Bevat alle kort- of langdurige emoties,
gemoedstoestanden en gevoelens, voor zover de laatste niet van zintuigelijke
origine zijn.
Stemming: Een diffuse gemoedstoestand, meestal van lange duur, die
niet direct verbonden is aan één specifieke ervaring. Stemming is een
subjectieve, innerlijke ervaring die niet makkelijk geobserveerd wordt,
maar door de betrokkene dient te worden gerapporteerd. De stemming
vormt veelal de achtergrond waarop de affecten zich afspelen. In die zin
zou de stemming vergeleken kunnen worden met het klimaat.
Affect: Is te observeren, is meestal van korte duur en bestaat doorgaans
uit reactie op specifieke ervaringen. Affect is te vergelijken met het weer.
Stoornissen conatieve functies
Psychomotoriek: Non-verbaal en verbaal
Motivatie en gedrag
o Drang: Heeft te maken met een lustbeleving, past bij een persoon,
bijv. bepaalde seksuele gevoelens
o Dwang: dwanggedachten, eerst nog iets aanraken voordat je het
huis uit kunt. Dwang is vreemd en ongewenst.
,Stoornissen in het psychisch functioneren. Mijn BSL; E.R de Groot.
de verschillende groepen stoornissen binnen de psychiatrie
indelen volgens de DSM 5
DSM 5: psychische bijbel Classificatie systeem van symptomen bij een
bepaalde stoornis.
De twintig groepen psychische stoornissen volgens DSM-5.
1. Neurobioloigsche ontwikelingsstoornissen
2. Schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornissen
3. Bipolaire stemmingsstoornissen
4. Depressieve stemmingsstoornissen
5. Angststoornissen
6. Obsessieve-compulsieve en verwante stoornissen
7. Trauma en stressorgerelateerde stoornissen
8. Dissociatieve stoornissen
9. Somatisch-symptoomstoornis en verwante stoornissen
10.Voedings- en eetstoornissen
11.Stoornissen in de zindelijkheid
12.Slaap-waakritmestoornissen
13.Seksuele disfuncties
14.Genderydysforie
15.Disruptieve, impulsbeheersings- en andere gedragsstoornissen
16.Middelgerelateerde en verslavingsstoornissen
17.Neurocognitieve stoornissen
18.Persoonlijkheidsstoornissen
19.Parafiele stoornissen
20.Andere stoornissen
, Overzicht psychische functies
Cognitieve functies
Stoornissen van het bewustzijn
Stoornissen in de helderheid of aanspreekbaarheid: Bij stoornissen
in de helderheid of aanspreekbaarheid gaat het om de mate waarin
prikkels tot de persoon weten door te dringen. Een forse bewustzijnsdaling
valt direct op, doordat de patiënt niet tot nauwelijks reageert op prikkels.
Lichte bewustzijnsdalingen kunnen worden vastgesteld door kenmerken
als sufheid en dromerigheid bij de patiënt na te vragen. Een verhoogd
bewustzijn wil zeggen een grotere dan normale openheid voor indrukken
vanuit de omgeving en/of eigen ervaringen. Een verlaagd bewustzijn uit
zich van sufheid tot de dood. Er is vaak sprake van desoriëntatie.
Somnolentie: Bij somnolentie is de persoon slaperig en moet hij moeite
doen om wakker te blijven. Zolang de persoon geprikkeld wordt, blijft hij
wakker.
Coma: De patiënt reageert niet meer op (pijn)prikkels. Veelal zijn de
peesreflexen en de wimperreflex afwezig. Meestal treedt er bij coma ook
geen lichtreflex meer op van de pupil.
Bewustzijnsverruiming: Bewustzijnsverruiming: Als een grotere
diversiteit dan het normale palet aan prikkels bewust wordt geregistreerd.
Bewustzijnsvernauwing: Bij bewustzijnsvernauwing lijkt iemand slechts
voor bepaalde selectie aan prikkels open ten staan, terwijl andere prikkels
niet lijken door te dringen. De persoon neemt de omgeving als het ware
door een koker waar.
Delier: Het delier kenmerkt zich door een wisselend helder en verlaagd
bewustzijn, desoriëntatie en een verminderde aandacht. Het denken is
verward en de spraak onsamenhangend. Tevens doen zich (vooral visuele)
hallucinaties en waandenkbeelden voor.
Een persoon in een sopor is enkel met prikkels te wekken. Subcoma of precoma
is een bewustzijnverlies waarbij iemand niet meer wakker gemaakt kan worden
en geen peesreflexen meer vertoont.
Stoornissen van de aandacht
Verhoogde en verminderde aandacht: Als de patiënt niet of traag
reageert is er mogelijk sprake van een verminderd vermogen om de
aandacht op nieuwe stimuli te richten. De patiënt raakt vaak de draad
kwijt bij lange antwoorden. Verhoogde waakzaamheid is te herkennen aan
een bovenmatig oplettende houding en snelle reacties op nieuwe prikkels,
die samengaan met een hoge afleidbaarheid.
Verhoogde aandacht zie je vaak bij angstige personen. Verminderde
aandacht doet zich voor bij een verlaagd bewustzijn.