Janssen
Co-auteur: Hay Janssen
Uitgever: Coutinho
Nederlands 4e druk
9789046906279 juni
2018
Sociologie
Ongelijkheid en sociaal werk
- Aspecten van (sociaal-economische) ongelijkheid uit vergroot.
- Maar ook: hoe gaan we om met met groepen in een achterstandssituatie?
- Als sociaal werker zit je in een dubbele spagaat tussen: wat mensen zelf
kiezen, wat jij als werker vindt en wat de maatschappij van iedereen verwacht
of eist.
Sociale ongelijkheid
Inkomen bepaalt in belangrijke mate iemands bestaan.
- Huisvesting, voeding, gezondheid, ontspanning, scholingskansen etc.
- Hoe groter de inkomensongelijkheid.. des te meer sociale problemen. Des te
slechter de gemiddelde gezondheid en levensverwachting.
,Ongelijkheid op allerlei vlakken.
- Economisch, politiek (invloed uitoefenen), juridisch (klasse ongelijkheid/
gelijke behandeling), maatschappelijk (participatie, doe je mee/scholing).
Definitie Hoeksema en van der werf:
‘Sociale ongelijkheid gaat over groepen die ten opzichte van elkaar verschillende
sociale posities innemen, die daardoor in een andere situatie verkeren en ook
andere mogelijkheden hebben.’
Sociale mobiliteit
- Horizontaal: binnen dezelfde klasse.
- Verticaal: van klasse naar klasse.
- Intrageneratie: binnen 1 generatie.
- Intergeneratie: tussen generaties.
Verticale mobiliteit gering.
- Sociale klasse nog steeds van invloed.
- Woonomgeving, aangeleerde waarden en normen, interesses van de ouders,
het onderwijssysteem (ongelijkheid neemt laatste jaren toe).
Bij partnerkeuze zoeken mensen tegenwoordig hun gelijken.
Tussen 1950 en 1970: een derde gelijkwaardige partners.
Tussen 1995 en 2004: tweederde.
Downdaten voor mannen is uit. Reden: veel vrouwen zijn gaan studeren.
Gevolg: rijk trouwt met rijk en arm trouwt met arm (mobiliteit neemt af).
Sociale ongelijkheid is niet vrijwillig
Lagere strata: willen het graag beter hebben (‘streven naar rechtvaardigheid’)
Hogere strata: positie behouden (‘ongelijkheid is een onvermijdelijk onderdeel van
het leven, een natuurlijk gegeven, als je maar je best doet’)
- Pierre Bourdieu: distinctiezucht.
- Parade van Pen: geeft aan, gemiddeld gezien is er niks aan de hand. Maar in
zo’n optocht is er meer aan de hand, duurt het halfuur, moet eerst over de
helft zijn voordat gemiddelde komt.
Moderne armoede
Twee aspecten:
- Afhankelijkheid van de staat (geld, controle)
- Sociale uitsluiting (isolement, gevoel overbodigheid)
Tegenovergesteld: Inclusie (insluiting)
, Kenmerken van moderne armoede
- Weinig geld.
- Sociaal isolement.
- Gering profijt overheidsvoorzieningen. (Lagere klassen gebruiken minder)
- Afhankelijkheid van de staat. (Geld van overheid krijgen)
- Geografisch te lokaliseren. (arme straten<>je ziet het aan de huizen)
- Cultuur van de armoede.
Armoede in een verzorgingsstaat
- Objectieve benadering: bedreiging fysieke bestaan.
- Subjectieve benadering: bedreiging van het functioneren in een samenleving
(sociale overbodigheid) (participatie).
Wanneer is er armoede in NL?
- De lage inkomensgrens (afgeleid van bijstand 1979)
- Het sociaal minimum (105% van bijstand, beleid)
- De budgetgerelateerde grens (normbedragen door Nibud, absolute
basisbehoeften; wat heb je nodig om in leven te blijven en niet meer dan dat)
- De niet-veel-maar-toereikend grens (idem, inclusief een bedrag voor
participatie)
- Begrip bestaansonzekerheid (breder dan inkomen alleen)
Algemeen
- Onder lage-inkomensgrens: 590.000 huishoudens in 2016 (8,2% van 7,2
miljoen)
- Langdurig arm (4 jaar of meer): 278.00 mensen in 2007, 410.000 in 2013.
Neemt toe: 2014: 2,7% huishoudens, 2015: 3,1% en 2016: 3,3%.
Feminisering van de armoede (echtscheiding, tienermoeders, klapstoeltjes
economie).
Locatie
- CBS 2016: Leeuwarden 12,6%, Groningen 14,7% en Tynaarloo 4,8% onder
de lage inkomensgrens.
- De top 4 in NL: Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Groningen etc.
- 4e plaats 2016 armste postcodegebied van NL: Leeuwarden, Heechterp-
Schierdam (1op3 is arm)
Niet-westerse huishouden
- Niet-westerse huishoudens oververtegenwoordigd. (alochtonen)
- En langdurig (6 keer zoveel als autochtoon)