∎ Loeffen & Tigchelaar: Retourtje Inzicht
HOOFDSTUK 2: INTERSECTIONEEL DENKEN OVER DIVERSITEIT
Ordening (Erik Hoffman): om niet overspoeld te raken door informatie, selecteer je, orden je en neem je stand-
en gezichtspunten in. Het gaat hierbij om de waarneming van de werkelijkheid: hoe kijken mensen naar concrete
situaties? Het is iets individueels, iedereen doet het, maar op een verschillende persoonlijke manier. Het is ook
collectief: naarmate je ouder wordt ga je het meer op een eigen wijze vormgeven en neem je voor een groot deel
over door je omgeving.
Diversiteitscirkel met aspecten van identiteit
Aspecten van identiteit: Je bent lid van verschillende groepen (vrouwen, studenten ect.) die kunnen wisselen.
Achter elk aspect zitten groepen waar je bij hoort.
Groepering (sociologie): een groep waar je bij hoort zonder dat je elk lid van deze groep kent en alle groepen
samen bepalen jouw identiteit.
Diversiteitscirkel: zeven identiteitsaspecten die met elkaar te maken hebben en invloed hebben op elkaar
(gelijktijdigheid) op je leven.
1. Sekse en gender; 5. Seksuele oriëntatie;
2. Generatie en levensfase; 6. Religie en levensbeschouwing;
3. Etniciteit; 7. Sociale klasse en professionele socialisatie.
4. Ziekte, gezondheid, talenten en handicaps;
Diversiteitsfilosofie: het gedachtegoed of de theorieën van mensen die nadenken over belangrijke verschillende
en overeenkomsten tussen mensen en groepen van mensen.
1. Sekse en gender
Sekse: je biologische geslacht, dat niet alleen bepaald wordt door biologische en lichamelijke aspecten, maar ook
sociaal geconstrueerd wordt; welke rollen horen bij mannen en vrouwen? Wat voor man ben je geworden?
Gender: van nature ben je een man of vrouw, maar je opvoeding en socialisatie in bepaalde groepen maken je
ook tot vrouw of man, wat kan verschillen bv. per klasse, land, regio of religie.
Uitspraak over de spanning tussen biologische (sekse-) en culturele (gender-) aspecten van man zijn of vrouw
zijn (Franse filosoof Simone de Beauvoir): “Men wordt niet als vrouw geboren, men wordt het.”
Genderstudies: het onderzoeken van de rollen van mannen en vrouwen, de machtsverhoudingen op individuele,
institutionele, nationale en geopolitieke schaal.
Genderdysphorie: een gevoel van onbehangen met het eigen geslacht / het gevoel hebben in een verkeerd
lichaam geboren te zijn. Het is een medische aandoening die van persoon tot persoon kan verschillen, waardoor
er sprake is van diversiteit.
2. Generatie van levensfase
Je kunt verschillend naar generaties en levensfasen kijken, door onderliggende opvattingen over de status van
ouderen en het belang dat wordt gehecht aan de jeugd in jouw cultuur of subcultuur.
Ontwikkelingsfasen volgens Erikson: in elke fase heeft een mens met uitdagingen te maken die Erikson als
crisis benoemt, waarin je een evenwicht moet vinden tussen twee uitersten. Wanneer dit niet goed lukt, is het
moeilijker om in de volgende fase in balans te zijn. Echter zou dit niet kloppen omdat je flexibeler zou zijn.
1. Zuigeling vertrouwen ↔ wantrouwen
2. Peuter autonomie ↔ twijfel en schaamte
3. Kleuter initiatief ↔ schuld
HOOFDSTUK 2: INTERSECTIONEEL DENKEN OVER DIVERSITEIT
Ordening (Erik Hoffman): om niet overspoeld te raken door informatie, selecteer je, orden je en neem je stand-
en gezichtspunten in. Het gaat hierbij om de waarneming van de werkelijkheid: hoe kijken mensen naar concrete
situaties? Het is iets individueels, iedereen doet het, maar op een verschillende persoonlijke manier. Het is ook
collectief: naarmate je ouder wordt ga je het meer op een eigen wijze vormgeven en neem je voor een groot deel
over door je omgeving.
Diversiteitscirkel met aspecten van identiteit
Aspecten van identiteit: Je bent lid van verschillende groepen (vrouwen, studenten ect.) die kunnen wisselen.
Achter elk aspect zitten groepen waar je bij hoort.
Groepering (sociologie): een groep waar je bij hoort zonder dat je elk lid van deze groep kent en alle groepen
samen bepalen jouw identiteit.
Diversiteitscirkel: zeven identiteitsaspecten die met elkaar te maken hebben en invloed hebben op elkaar
(gelijktijdigheid) op je leven.
1. Sekse en gender; 5. Seksuele oriëntatie;
2. Generatie en levensfase; 6. Religie en levensbeschouwing;
3. Etniciteit; 7. Sociale klasse en professionele socialisatie.
4. Ziekte, gezondheid, talenten en handicaps;
Diversiteitsfilosofie: het gedachtegoed of de theorieën van mensen die nadenken over belangrijke verschillende
en overeenkomsten tussen mensen en groepen van mensen.
1. Sekse en gender
Sekse: je biologische geslacht, dat niet alleen bepaald wordt door biologische en lichamelijke aspecten, maar ook
sociaal geconstrueerd wordt; welke rollen horen bij mannen en vrouwen? Wat voor man ben je geworden?
Gender: van nature ben je een man of vrouw, maar je opvoeding en socialisatie in bepaalde groepen maken je
ook tot vrouw of man, wat kan verschillen bv. per klasse, land, regio of religie.
Uitspraak over de spanning tussen biologische (sekse-) en culturele (gender-) aspecten van man zijn of vrouw
zijn (Franse filosoof Simone de Beauvoir): “Men wordt niet als vrouw geboren, men wordt het.”
Genderstudies: het onderzoeken van de rollen van mannen en vrouwen, de machtsverhoudingen op individuele,
institutionele, nationale en geopolitieke schaal.
Genderdysphorie: een gevoel van onbehangen met het eigen geslacht / het gevoel hebben in een verkeerd
lichaam geboren te zijn. Het is een medische aandoening die van persoon tot persoon kan verschillen, waardoor
er sprake is van diversiteit.
2. Generatie van levensfase
Je kunt verschillend naar generaties en levensfasen kijken, door onderliggende opvattingen over de status van
ouderen en het belang dat wordt gehecht aan de jeugd in jouw cultuur of subcultuur.
Ontwikkelingsfasen volgens Erikson: in elke fase heeft een mens met uitdagingen te maken die Erikson als
crisis benoemt, waarin je een evenwicht moet vinden tussen twee uitersten. Wanneer dit niet goed lukt, is het
moeilijker om in de volgende fase in balans te zijn. Echter zou dit niet kloppen omdat je flexibeler zou zijn.
1. Zuigeling vertrouwen ↔ wantrouwen
2. Peuter autonomie ↔ twijfel en schaamte
3. Kleuter initiatief ↔ schuld