Amsterdam Zuidoost
TENTAMEN
ALGEMENE ECONOMIE
PROPEDEUSE B2T
Bedrijven, consumenten en overheid (micro/meso)
Onderwijseenheid : 1000AEC14
Studiegidsnummer : 1014AEC_T1
Datum : 30 november 2015
Tijd : 17.00 – 19.00 uur
Docenten : Ezrah Bakker, Bart de Boer, Daniel van de Buuse,
Jaap van Geffen, Michel Knoppel, Joost Koning,
Kirsten Rauwerda, Tugba Tekatli en Petra Vermeulen
INFORMATIE EN INSTRUCTIES:
Dit tentamen bestaat uit 25 meerkeuzevragen en 15 open vragen.
De antwoorden op de meerkeuzevragen moeten worden ingevuld op het antwoordformulier
op pagina 14 (laatste pagina!).
De antwoorden op de open vragen moeten op het opgavenformulier worden ingevuld.
Gebruik van een grafische rekenmachine is niet toegestaan.
NORMERING: 1 punt per goed beantwoorde meerkeuzevraag (maximaal 25 punten) en
maximaal 30 punten voor de open vragen (zie bij de opgaven).
EINDCIJFER: (behaalde punten / 55) x 9 + 1
Veel succes!
NAAM : ....................................................................
KLAS : ......................
STUDENTNUMMER : ......................
,Tentamen Algemene Economie BE-vt jaar 1 1014AEC_T1
30 november 2015
2
, Tentamen Algemene Economie BE-vt jaar 1 1014AEC_T1
30 november 2015
MEERKEUZEVRAGEN (25 punten)
Vraag 1:
In een bepaald jaar keert de publieke opinie zich tegen de activiteiten van een bedrijf.
Dit is een onderdeel van de:
A. indirecte omgeving
B. interne omgeving
C. directe omgeving
D. ruime omgeving
Vraag 2:
De vraaglijn van een product verschuift in een jaar evenwijdig naar links. Twee
mogelijke oorzaken van deze verschuiving zijn:
1. een prijsstijging van het goed zelf.
2. een inkomensdaling bij de consumenten.
Welke van de twee oorzaken is/zijn mogelijk?
A. Beide oorzaken zijn mogelijk.
B. Alleen oorzaak 1 is mogelijk.
C. Alleen oorzaak 2 is mogelijk.
D. Geen van beide oorzaken is mogelijk.
Vraag 3:
De prijselasticiteit van een goed is −0,5. Door marktomstandigheden zal de prijs van
het goed met 1% stijgen. Het goed is een (1) en de omzet van het goed zal (2).
(1) (2)
A. luxegoed afnemen met 0,5%
B. snobgoed afnemen met 1%
C. noodzakelijk goed toenemen met 0,5%
D. inferieur goed toenemen met 1%
Vraag 4:
Elasticiteiten kunnen goederen op een bepaalde manier typeren.
Wat geldt voor inferieure goederen?
A. waarde van de prijselasticiteit van de vraag is positief.
B. waarde van de prijselasticiteit van de vraag is negatief.
C. waarde van de inkomenselasticiteit van de vraag is positief.
D. waarde van de inkomenselasticiteit van de vraag is negatief.
Vraag 5:
De volgende trends beïnvloeden de consumentenvoorkeuren:
A. individualisering en demografische ontwikkelingen
B. demografische ontwikkelingen en stijgende huizenprijzen
C. preferenties en individuele consumptiepatronen
D. marketinginspanningen en prijsverhoudingen
3