Osmose, diffusie en eigenschappen van oplossingen
p. 384 – 385 + p. 388 – 401
Eigenschappen van oplossingen
Oplossingen
De deeltjes lossen op
Het zijn kleine deeltjes (de kleinste)
De deeltjes kunnen door het semipermeabele membraan en een filter heen.
Homogeen
Bijv. natriumchloride
Colloïden
Het zijn grote moleculen bijvoorbeeld eiwitten (na oplossing de kleinste)
Colloïden kunnen door een filter heen, maar ze zijn te groot om door het
semipermeabele membraan te kunnen.
Homogeen
Suspensie
Bijv. water met zand
Grote deeltjes, die je met een bloot oog kunt zien.
Je blijft roeren en er blijven deeltjes in het water zichtbaar
De deeltjes zakken naar beneden als je het laat staan.
Een suspensie blijft achter in het filter in kunnen ook niet door het semipermeabele
membraan.
Heterogeen
1
, Osmose en osmotische druk
Watermoleculen bewegen door het semipermeabele membraan vanaf de oplossing
met de lage concentratie naar de oplossing met een hogere concentratie.
Alleen water kan door het semipermeabele membraan
Het is de bedoeling dat de concentratie uiteindelijk aan beide kanten gelijk is.
De druk die uitgeoefend wordt tussen de twee compartimenten heet de osmotische
druk.
- Water wordt in de richting ‘gedrukt’ van de meer geconcentreerde kant.
De osmotische druk ligt aan de hoeveelheid opgeloste deeltjes in de oplossing.
- Hoe meer opgeloste deeltjes, hoe hoger de osmotische druk.
Het doel van osmose = het gelijk maken van de concentratie
Zuiver water heeft een osmotische druk van 0
Omgekeerde osmose is een proces waarbij de druk groter is dan de osmotische druk
en wordt toegepast bij een oplossing zodat het gedwongen wordt om door een
gezuiverd membraan te gaan.
Osmolariteit
Een oplossing met een hogere concentratie van opgeloste deeltjes heeft een hogere
osmotische druk dan een oplossing met minder opgeloste deeltjes.
Osmolariteit = aantal deeltjes/ 1 L van de oplossing
Isotone oplossingen
De meeste oplossingen die in het ziekenhuis worden gebruikt zijn isotone
oplossingen.
Isotone oplossingen hebben dezelfde osmotische druk als lichaamsvloeistoffen, zoals
bloed.
Isotone oplossingen zijn 0,9% m/v
Massa/ volume percentage = m/v = g/ 100 ml.
- Bijv. 7,6% (m/v) = 7,6 g/ 100 ml
Hypotone en hypertone oplossingen
Als een rode bloedcel in een hypotone oplossing wordt geplaatst, stroomt er water in
de cel en de cel gaat zwellen en kan uiteindelijk barsten dit proces heet hemolyse
- Hypo = een lagere concentratie
Als een rode bloedcel in een hypertone oplossing wordt geplaatst, stroomt er water
uit de cel naar de hypertone oplossing en de cel zal krimpen dit proces heet
crenation.
- Dit proces vindt plaats als een rode bloedcel in een 10% m/v oplossing wordt
geplaatst.
- Hyper = een hogere concentratie
2