Pathologie en zijn samenhangende begrippen uitleggen.
Pathologie: de leer van ziekten in het algemeen
Pathofysiologie: de fysiologische processen die tot de ziekte leiden
Patholoog: arts die veranderingen in het lichaam als gevolg van de ziekte bestudeert
Syndroom: ziekte waarbij altijd sprake is van eenzelfde combinatie van symptomen
Acuut: ziekte plotseling ontstaan
Chronisch: langzaam en minder heftig begin; duurt maanden/jaren
Terminaal: ongeneeslijk
Remissie: symptomen van chronische ziekte verminderen tijdelijk
Exacerbatie: symptomen van een ziekte keren in alle hevigheid terug
Recidief: ziekte steekt na weken of maanden weer de kop op
Mortaliteit: maar voor sterfte (vaak per 100.000 inwoners)
Morbiditeit: mate van voorkomen van ziekte/beperkingen
Comorbiditeit/multimorbiditeit: voorkomen van twee of meer stoornissen bij een persoon
Epidemiologie: voorkomen van ziekten in relatie tot het voorkomen van andere
verschijnselen
Etiologie: leer van ziekteoorzaken; oorzaken van een pathologisch proces
Pathogenese: ontstaansmechanisme van een ziekte
Degeneratie: structuur of werking van weefsels/organen gaat geleidelijk achteruit
Inflammatoire aandoeningen: verhoogde activiteit immuunsysteem (ontsteking/auto-
immuun/allergie)
Neoplasmata: kanker; abnormale cel-/weefselgroei
Metabool: verstoorde stofwisseling
Endogeen: genetisch
Exogeen: omgevingsgebonden