De stichting is een privaatrechtelijke rechtspersoon. Dit betekent dat de stichting zelf aansprakelijk is
voor de schulden van de organisatie maar de leden van het bestuur en de raad van commissarissen
zelf niet hiervoor aansprakelijk zijn.
De stichting kan door één persoon worden opgericht en de oprichting moet door middel van een
notariële akte plaatsvinden. In deze akte zijn de statuten opgenomen waarin het doel van de
stichting staat vermeld. Daarna moet de stichting zich inschrijven in het handelsregister. Als de
inschrijving niet plaatsvindt naast de stichting het bestuur hoofdelijk aansprakelijk is. Er is ook sprake
van de WED.
Het doel van een stichting is het realiseren van een maatschappelijk of sociaal doel. Het streven naar
winst is geen doel. Maar de stichting mag wel winst maken. Het doel mag echter niet inhouden het
doen van uitkeringen aan:
1. Oprichters of aan personen die deel uitmaken van een van de organen
2. Derden, tenzij deze uitkeringen aan derden een ideële of sociale strekking hebben,
bijvoorbeeld een pensioenuitkering.
Het wetsartikel bevat dus een dubbel uitkeringsverbod, maar hierop gelden twee uitzonderingen:
1. Toelaatbare betaling
2. Toelaatbare uitkering
Van een toelaatbare betaling is sprake als de stichting voor een tegenprestatie betaalt. Dat is
bijvoorbeeld het geval bij een redelijke, dat wil zeggen niet bovenmatige, onkostenvergoeding of
salarisbetaling aan bestuurders of aan personen in dienst van de stichting. Een toelaatbare betaling is
een interne betaling.
Een toelaatbare uitkering is een uitkering met een ideële of sociale strekking die wordt uitgekeerd
aan anderen dan oprichters of aan andere personen die deel uitmaken van een van de organen van
de stichting. Bijvoorbeeld een uitkering aan een opvangtehuis voor daklozen. Een toelaatbare
uitkering is een externe uitkering.
De stichting heeft op de grond van de wet vaak maar één orgaan: het bestuur. Veel stichtingen
hebben wel op vrijwillige basis een toezichthoudende instantie ingesteld en deze wordt raad van
toezicht (rvt) of raad van commissarissen (rvc) genoemd.
Via de statuten is te regelen welke manier de bestuurders worden benoemd en ontslagen. Vaak
worden de te benoemen bestuursleden benoemd door het bestuur zelf. Ook komt het voor dat een
andere rechtspersoon bevoegd is om bestuurders te benoemen.
De statuten kunnen een regeling bevatten dat iedere afzonderlijke bestuurder ook
vertegenwoordigingsbevoegd is. In dat geval is de vertegenwoordiging niet alleen een collectieve
bevoegdheid maar kan ook een individuele bestuurder voor de stichting een overeenkomst aangaan.
Daardoor loop de stichting een financieel risico. De statuten kunnen bepalen dat een bestuurder de
stichting niet alleen maar met medewerking van een of meer andere bestuurders mag
vertegenwoordigen.