Blok 5: Goederenrecht
In dit college: regels ten aanzien van het toepasselijk recht.
In beginsel zijn er geen Europese Verordeningen die het onderwerp van
het internationale goederenrecht beheersen. Maar: in Rome I zijn er
sommige vragen die onder de werking van de verordening vallen.
Daarnaast bestaat er een Richtlijn 93/7/EEG betreffende cultuurgoederen
(richtlijn wordt niet verder behandeld).
In beginsel moet worden afgevraagd of een vraag op het gebied van het
internationaal goederenrecht onder de werking van art. 14 Rome I Vo
valt. Zo niet, wordt teruggevallen op de internationale verdragen.
Maar in beginsel zijn er ook geen internationale verdragen die van
toepassing zijn op het internationaal goederenrecht. Er is één
uitzondering: het Haags Trustverdrag 1985. Dit verdrag regelt een
specifiek onderwerp en een specifieke vorm van goederenrechtelijke
werking (common law systeem van de Trust). In dit vak wordt hier verder
geen aandacht aan besteed: weten dat het verdrag bestaat.
Bij gebrek aan Europese verordeningen en internationale verdagen wordt
teruggevallen op het nationale commune IPR. Van oorsprong: regels zijn
opgenomen in de Wet conflictenrecht goederenrecht. Deze is vrij
recentelijk in werking getreden geconsolideerd in Titel 10, Boek 10
BW:
- Afdeling 1: algemene bepalingen (art. 10:126);
- Afdeling 2: zaken (art. 10:127 – 10:133);
- Afdeling 3: vorderingsrechten (art. 10:134 – 10:136);
- Afdeling 4: aandelen (art. 10:137 – 10:139);
- Afdeling 5: giraal overdraagbare effecten (art. 10:140 – 10:141).
In deze kennisclip ligt de focus op afdelingen 2 en 3, maar de afdelingen 4
en 5 behoren ook tot de te kennen leerstof.
Afdeling 2: zaken: art. 10:127 – 10:133 – Toepasselijk recht.
Algemene regel art. 10:127: lex rei sitae (= het recht van de plaats van
ligging).
Uitzonderingen: lid 2 en 3 (schepen en luchtvaartuigen).
, Welk type vragen vallen onder de werking van het toepasselijk recht?: lid
4. Geen uitputtende lijst, er kunnen zich vragen voordoen die buiten de
reikwijdte van lid 4 vallen, hoewel ze toch te maken hebben met
goederenrechtelijke vragen.
Welk moment?: lid 5. Welk tijdstip van belang is, vind je hier terug.
Roerende zaken?: probleem van verplaatsing – zie art. 10:130 BW.
Bij casus nagaan of de vraag betrekking heeft op art. 10:127 lid 4 BW. Zo
ja, dan zal o.g.v. art. 10:127 lid 1 BW het recht van de plaats van ligging
gebruikt worden om de desbetreffende vraag te beantwoorden.
Een rechtskeuze is in beginsel niet mogelijk. Dit omdat: gesloten
goederenrechtelijk stelsel in Nederland. Voor twee verschillende aspecten
is de mogelijkheid tot een rechtskeuze wel gegeven:
1. Eigendomsvoorbehoud – art. 10:128 lid 2 BW;
2. Res in transitu – art. 10:133 lid 2 BW. Dit heeft betrekking op zaken
die worden vervoerd.
Eigendomsvoorbehoud: art. 10:128 lid 1 BW. Dit recht kent een lange
geschiedenis, zowel in het Nederlandse als in het Europese IPR.
Spiegelbepaling van art. 3:92a BW. oorsprong: art. 4 lid 1 Richtlijn
2000/35/EG betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij
handelstransacties.
Het eigendomsvoorbehoudsrecht wordt gevestigd en er wordt gekeken
naar het recht van de plaats van ligging.
Conflict mobile: art. 10:130 BW.
Hoe moet worden omgegaan met een goed dat wordt verplaatst van het
ene naar het andere land.
Drie mogelijke oplossingen:
- Transformatieleer (= alles wat uit het buitenland komt, zal bij
binnenkomst in NL moeten worden geïdentificeerd en
getransformeerd in een vergelijkbaar goederenrechtelijk rechtsfiguur
uit NL, bijv. Engelse charge wordt NL pandrecht);
- Fixatieleer (= goederenrechtelijk regime blijft in NL gehandhaafd,
bijv. Engelse charge blijft een Engelse charge, tot in NL iets
veranderd waardoor het omgezet moet worden);
- Assimilatieleer (= het buitenlandse recht zal worden erkend in NL +
bepaald recht kan niet overschreden worden in de zin dat het lokale
recht een bredere mogelijkheid aan tools heeft, bijv. Engels recht
blijft erop liggen, maar op het moment dat het wordt uitgeoefend,
kan het niet uitgeoefend worden op een manier die strijdig is met
het NL recht).
Art. 10:130 BW kende de assimilatieleer, terwijl de Wet conflictenrecht
goederenrecht veel meer uitging van een transformatieleer.
Afdeling 3: vorderingsrechten: art. 10:134 – 10:136 – Toepasselijk
recht.
Een vordering kan bestaan uit een contractuele verbintenis tussen twee
partijen, of een niet-contractuele verbintenis tussen twee partijen.