5.2 Wilsgebreken
Wilsgebrek is als de wil van iemand, door een van buitenaf komende omstandigheid, niet op een
zuivere manier tot stand is gekomen.
De wilsgebreken zijn:
- Bedreiging
- Bedrog
- Misbruik van omstandigheden
- Dwaling
5.3 Bedrog
Bedrog is wanneer je een ander opzettelijk misleidt. Het opzet is erop gericht een ander willens en
wetens (opzettelijk) te bedriegen.
Het bedrog is het opzettelijk doen van een onjuiste mededeling, het opzettelijk iets verzwijgen of een
andere kunstreep waardoor die ander instemt met de overeenkomst die hij nooit zou hebben
gesloten wanneer hij de juisten feiten had gekend.
5.4 Bedreiging
Van bedreiging is sprake wanneer iemand een ander aanzet tot het verrichten van een bepaalde
overeenkomst door onrechtmatig deze ander of een derde met enig nadeel in persoon of goed te
bedreigen.
5.5 Misbruik van omstandigheden
Er is sprake van misbruik van omstandigheden als je weet dat iemand anders in een afhankelijke
situatie verkeert of geestelijk in de war, lichtzinnig of onervaren is en je maakt daar misbruik van
door met die persoon een overeenkomst te sluiten.
Voor een geslaagd beroep op dit wilsgebrek is dus vereist:
- Een bijzondere omstandigheid
- Kenbaarheid
- Misbruik
- Causaal verband
Causaal verband is dat je de overeenkomst nooit had gesloten zonder dat je wist van misbruik.
5.6 Dwaling
Bewust --- > bedrog
Onbewust --- > dwaling
Voor dwaling gelden de volgende vereisten:
- Er is sprake van een onjuiste voorstelling van essentiële eigenschappen en/of
omstandigheden.
- Er moet causaal verband zijn tussen de dwaling en het sluiten van de overeenkomst: als er
niet gedwaald was, zou de overeenkomst niet of onder andere voorwaarden tot stand zijn
gekomen.
- De wezenlijk eigenschappen waaromtrent een onjuiste voorstelling bestond, moeten in
beginsel wel kenbaar zijn geweest.