Korte herhaling van het vorige hoorcollege: Voor het ontstaan en de verdere ontwikkeling van een
wetenschappelijke discipline is een bepaalde infrastructuur vereist (lesboeken, universiteiten,
onderwijs, etc.). In de Middeleeuwen en Oudheid was deze infrastructuur er niet voor de
geschiedbeoefening. Er was wel interesse voor het verleden, maar vaak met een ander doel, b.v. om
er morele lessen uit te trekken; wat vooral bij de Romeinen het geval was.
In de Middeleeuwen was geschiedenis vaak ook verweven met theologie: men duidde de
geschiedenis aan de hand van de Bijbel. Eigentijdse gebeurtenissen werden verklaard en geduid in
het licht van de traditie en historische precedenten. Dit betekende dat men geen systematische
ontwikkelingen in de wereldgeschiedenis zag. De traditie was normgevend, en het doorgeven ervan
was belangrijker dan het analyseren van de geschiedenis.
Dit college: Hoe is deze traditionele wereld verdwenen, en welke gevolgen heeft dit gehad?
In de late Middeleeuwen draaide het nog vooral om christelijke overlevering, in de Vroegmoderne
Tijd ontstonden er tegentradities. Hier zijn een aantal factoren voor te noemen:
Vanaf de 12e eeuw was er een wederopbloei van de Grieks-Romeinse traditie die lang in het
christendom ‘ingepast’ was. Men ging deze Grieks-Romeinse traditie nu als een andere
traditie zien, die lastig te verzoenen was met de christelijke traditie. Ook kwam er nadruk op
het verzamelen van bronnen, men wilde weten ‘hoe het nu echt was’. Ook ging men een
onderscheid zien tussen de eigen tijd en de ‘donkere’ Middeleeuwen. Er ontstond frictie,
men zag dat de christelijke traditie waarin de Grieks-Romeinse traditie ingepast werd niet
klopte. Dit was de ontwikkeling richting het humanisme. Het was geen afzwering van het
christendom, maar men ging wel zien dat het christendom geen alles overkoepelend
‘verhaal’ of wereldbeeld meer bood. Dit leidde onder andere tot een meer mens-gerichte
geschiedschrijving, onder andere bij Machiavelli. In de islamitische wereld vond in deze tijd
juist ‘afsluiting’ van de traditie plaats; de geestelijken wisten het absolute gezag over de
uitleg van de heilige teksten te verkrijgen.
De tweede factor is de Reformatie. Het moet niet onderschat worden hoe fundamenteel
ondermijnend de Reformatie was voor deze traditionele wereld. Het was immers een
beweging die stelde dat de uitleg van de Kerk van de Bijbel, het machtigste en best
georganiseerde instituut uit die tijd, niet klopte en dat de mensen beter zelf individueel de
Bijbel konden lezen. Hoewel dit aanvankelijk een a-historisch conflict was, (de reformatoren
wilden terug naar een verleden waarin de Kerk nog niet gecorrumpeerd was), leidde het ook
tot een andere geschiedschrijving. Er ontstond namelijk een discussie over de geschiedenis
van de kerk, en voor het voeren van deze discussie was historisch onderzoek nodig. De Kerk
beheerste niet meer het volledige denken.
Ook was er niet één groot imperium meer in Europa. Ook dit was een onbedoeld; er waren
wel degelijk veel dynastieën die streefden naar macht over heel Europa. Dit betekende dat
afzonderlijke steden hun eigen geschiedenis konden opschrijven, wat in het gecentraliseerde
China bijvoorbeeld niet mogelijk was. Geschiedenis was voor de vele verschillende entiteiten
in Europa een middel om te zorgen voor een identiteit. Er bestonden concurrerende
verhalen. Geschiedbeoefening was een onbedoeld gevolg van deze concurrentie, in de 19 e
eeuw kwam dit tot een hoogtepunt als gevolg van het nationalisme.