Voor examens en tentamens 4/5 havo
1
, Nederlands Leesvaardigheid:
Bij een mengvorm van tekstsoorten gaat het meestal om 2 tekstsoorten, waarvan er 1
overheerst.
Tekstsoorten:
- Een beschouwende tekst met uiteenzettende elementen.
- Een betogende tekst met beschouwende elementen.
- Een betogende tekst met uiteenzettende elementen.
- Een uiteenzettende tekst met beschouwende elementen.
Hoofddoelen van een tekst:
- Vermaken (dan is het hoofddoel amuseren)
- Iets uitleggen (dan is het hoofddoel uiteenzetten/informeren)
- Over iets laten nadenken (dan is het hoofddoel beschouwen/opinieren)
- In eigen mening laten overnemen (dan is het hoofddoel betogen/overtuigen)
- Aanzetten om iets te gaan doen (dan is het hoofddoel activeren)
Het vaststellen van het hoofddoel doe je met de hoofdgedachte, deze staat vaak in de
inleiding.
Betoog: Mening (standpunt) als hoofdgedachte.
Uiteenzetting: Constatering als hoofdgedachte.
Beschouwing: meestal is er de hoofdgedachte dat er meer oplossingen / antwoorden
/meningen enz. over het onderwerp zijn.
Teksten beoordelen:
Auteur:
- Wie is de auteur?
- Geeft de tekst informatie over zijn opleiding of werkkring?
- Kun je daaruit afleiden of hij een autoriteit is op het gebied waarover hij schrijft?
Publicatieplaats (bron)
- In welk (dag)blad of tijdschrift of op welke website is de tekst verschenen?
- Op welk publiek is de bron gericht?
- Welke conclusie kom je daaraan verbinden?
Actualiteit:
- Wanneer is de tekst geschreven?
- Is de informatie in het artikel nog actueel of is ze misschien achterhaald doordat er
inmiddels nieuwe gegeven of andere inzichten zijn?
Gebruikte bronnen:
- Noemt de auteur zijn bronnen? (personen, artikelen, onderzoeken)?
- Zo ja welke?
- Zijn de door de auteur geraadpleegde personen deskundig?
2