Contactlens 2 week 1
Contact lens complications
Hoofdstuk 1: Anterior eye examination
Burton lamp: vergrotende lens (+5), combinatie van wit licht en UV licht
Voordeel: beide ogen tegelijk zichtbaar, kan beide ogen met elkaar vergelijken
Nadeel: kan geen fluobeelden beoordelen als de lens UV straling absorbeert
Spleetlamp: apart verlichting en kijksysteem
Filters
Groen (roodvrij): meer contrast, neovascularisatie opsporen (wordt zwart), rose Bengal
staining is beter te zien
Neural density (ND): licht is minder fel
Polarisatie: vermindert reflecties, kleine defecten beter te zien
Tearscope: niet invasief traanfilm beoordelen (dikte, verspreiding, kwaliteit)
Specular microscope: hoge vergroting afbeelding van epitheel en endotheel, maakt een foto van het
endotheel, meten soms corneadikte (grootte cellen, guttata, vacuolen, KP)
Confocal microscopy: 500-700x vergroting, klein gebied van de cornea te zien (hoge resolutie), op
celniveau bekijken, contact met cornea
Slit scanning: lens komt op cornea -> maakt scan
Laser scanning: scannen over verschillende assen, scherper beeld
OCT: non-contact, beeld door weerkaatsing licht, wordt verwerkt via een computer
Doel: beoordeling traanmeniscus, traanfilm, epitheel, passing contactlens
Cornea topografie: corneavorm centraal en perifeer
Orbscan: reflectie topografie en slit scanning, bepaalt corneadikte en brengt posterior
oppervlak in beeld
Pentacam: Scheimpflug imaging, 2 camera's, 1 camera voor het opzoeken en meten van de
pupil en een camera voor het in beeld brengen van het anterior segment
o Voordelen: hoge resolutie, kan onregelmatige cornea meten, meet corneadikte
Pachymetrie
Optical: subjectief, moet afgelezen worden, goede plaatsing nodig
Ultrasonic: objectief, snelle methode, door terugkaatsing geluid
Corneal aesthesiometry: meting corneagevoeligheid (is lager bij hypoxia)
Gevoeligheid verschilt per leeftijd, iriskleur, temperatuur, tijdstip, contactlenzen en bij
zwangerschap
Contact (Cochet-Bonnet): nylon draad (o.b.v. lengte), verschillende druk op cornea
Non-contact: o.b.v. lucht op cornea, bepaalt wanneer het gevoeld wordt
o Voordelen: preciezere stimulus, geen beschadiging cornea, minder medewerking
patiënt nodig
o Nadeel: duur, moeilijker verplaatsen
1
, Hoofdstuk 4: Blinking abnormalities
Knipperslag
Normale knipperslag
Orbicularis oculi (n. VII) -> oogleden sluiten van buiten naar binnen (tranen gaan richting
puncta)
Soorten knipperslag
Compleet: bovenooglid bedekt >67% van de cornea
Incompleet: bovenooglid bedekt <67% van de cornea
Twitch: kleine beweging bovenooglid
Forced: onderooglid gaat omhoog voor volledige sluiting
Doel knipperen: verspreiding traanfilm, afvoer vuil, uitwisseling tranen
Hoe sneller traanfilm openbreekt, hoe vaker men gaat knipperen
Schade door knipperen bij: superior limbic keratoconjunctivitis, blepharospasme, ernstige ptosis,
contactlensgerelateerd
Contactlenzen
Sneller knipperen door reflex bij nieuwe CL dragers (lensrand tegen ooglidrand) -> later
normaal
Complicaties abnormale knipperslag en contactlenzen
Uitdroging lens & neerslag: traanlaag voor de lens breekt sneller open -> lens droogt uit ->
blijft sneller vuil aan zitten
Visusvermindering: door prismatische verschuiving tijdens knipperslag, vooral bij torische
lenzen
Lenspositie: lens beweegt meer bij langzamere knipperslag
Uitdroging epitheel: dunne hydrogel lenzen met hoog watergehalte
Vuil achter lens: als de traanlaag achter de lens niet vervangen wordt (door te
weinig/onvolledig knipperen)
o Vormstabiele lenzen: 10-17% traanuitwisseling
o Hydrogel lenzen: 1% traanuitwisseling
o Aanpassingen: kleinere diameter (minder comfort), vooral probleem bij slapen met
lenzen
o Risico op cornea ulceratie
Hypoxia en hypercapnia: barrière voor zuurstoftoevoer en CO2 afvoer
o Afvoer van CO2 door lens en via traanfilm
o Tear mixing: tranen verspreiden onder de lens
Staining door incomplete knipperslag
3 en 9 uur staining (vormstabiel): lens voorkomt dat ooglid over cornea heen gaat ->
onvoldoende bevochtiging
Aanpassing
o Interpalpebraal: kleinere diameter, op de cornea (tussen oogleden), oogleden over
lens heen -> beweegt -> traanuitwisseling
o Hoge edge lift/vlakke BCR: oncomfortabel, lens beweegt veel met knipperen
o Lid attachment: bovenooglid over periferie lens, beweegt mee met knipperslag
Behandeling
Knipperoefeningen
Aanpassing lens
o Overstappen van zachte naar vormstabiele lenzen
o Vormstabiel: van asferisch naar multicurve overstappen
o Vormstabiel: overgaan van lid-attachment naar interpalpebraal
o Droog oppervlak -> overstappen naar zacht (helpt bij 3 en 9 uur staining)
2
Contact lens complications
Hoofdstuk 1: Anterior eye examination
Burton lamp: vergrotende lens (+5), combinatie van wit licht en UV licht
Voordeel: beide ogen tegelijk zichtbaar, kan beide ogen met elkaar vergelijken
Nadeel: kan geen fluobeelden beoordelen als de lens UV straling absorbeert
Spleetlamp: apart verlichting en kijksysteem
Filters
Groen (roodvrij): meer contrast, neovascularisatie opsporen (wordt zwart), rose Bengal
staining is beter te zien
Neural density (ND): licht is minder fel
Polarisatie: vermindert reflecties, kleine defecten beter te zien
Tearscope: niet invasief traanfilm beoordelen (dikte, verspreiding, kwaliteit)
Specular microscope: hoge vergroting afbeelding van epitheel en endotheel, maakt een foto van het
endotheel, meten soms corneadikte (grootte cellen, guttata, vacuolen, KP)
Confocal microscopy: 500-700x vergroting, klein gebied van de cornea te zien (hoge resolutie), op
celniveau bekijken, contact met cornea
Slit scanning: lens komt op cornea -> maakt scan
Laser scanning: scannen over verschillende assen, scherper beeld
OCT: non-contact, beeld door weerkaatsing licht, wordt verwerkt via een computer
Doel: beoordeling traanmeniscus, traanfilm, epitheel, passing contactlens
Cornea topografie: corneavorm centraal en perifeer
Orbscan: reflectie topografie en slit scanning, bepaalt corneadikte en brengt posterior
oppervlak in beeld
Pentacam: Scheimpflug imaging, 2 camera's, 1 camera voor het opzoeken en meten van de
pupil en een camera voor het in beeld brengen van het anterior segment
o Voordelen: hoge resolutie, kan onregelmatige cornea meten, meet corneadikte
Pachymetrie
Optical: subjectief, moet afgelezen worden, goede plaatsing nodig
Ultrasonic: objectief, snelle methode, door terugkaatsing geluid
Corneal aesthesiometry: meting corneagevoeligheid (is lager bij hypoxia)
Gevoeligheid verschilt per leeftijd, iriskleur, temperatuur, tijdstip, contactlenzen en bij
zwangerschap
Contact (Cochet-Bonnet): nylon draad (o.b.v. lengte), verschillende druk op cornea
Non-contact: o.b.v. lucht op cornea, bepaalt wanneer het gevoeld wordt
o Voordelen: preciezere stimulus, geen beschadiging cornea, minder medewerking
patiënt nodig
o Nadeel: duur, moeilijker verplaatsen
1
, Hoofdstuk 4: Blinking abnormalities
Knipperslag
Normale knipperslag
Orbicularis oculi (n. VII) -> oogleden sluiten van buiten naar binnen (tranen gaan richting
puncta)
Soorten knipperslag
Compleet: bovenooglid bedekt >67% van de cornea
Incompleet: bovenooglid bedekt <67% van de cornea
Twitch: kleine beweging bovenooglid
Forced: onderooglid gaat omhoog voor volledige sluiting
Doel knipperen: verspreiding traanfilm, afvoer vuil, uitwisseling tranen
Hoe sneller traanfilm openbreekt, hoe vaker men gaat knipperen
Schade door knipperen bij: superior limbic keratoconjunctivitis, blepharospasme, ernstige ptosis,
contactlensgerelateerd
Contactlenzen
Sneller knipperen door reflex bij nieuwe CL dragers (lensrand tegen ooglidrand) -> later
normaal
Complicaties abnormale knipperslag en contactlenzen
Uitdroging lens & neerslag: traanlaag voor de lens breekt sneller open -> lens droogt uit ->
blijft sneller vuil aan zitten
Visusvermindering: door prismatische verschuiving tijdens knipperslag, vooral bij torische
lenzen
Lenspositie: lens beweegt meer bij langzamere knipperslag
Uitdroging epitheel: dunne hydrogel lenzen met hoog watergehalte
Vuil achter lens: als de traanlaag achter de lens niet vervangen wordt (door te
weinig/onvolledig knipperen)
o Vormstabiele lenzen: 10-17% traanuitwisseling
o Hydrogel lenzen: 1% traanuitwisseling
o Aanpassingen: kleinere diameter (minder comfort), vooral probleem bij slapen met
lenzen
o Risico op cornea ulceratie
Hypoxia en hypercapnia: barrière voor zuurstoftoevoer en CO2 afvoer
o Afvoer van CO2 door lens en via traanfilm
o Tear mixing: tranen verspreiden onder de lens
Staining door incomplete knipperslag
3 en 9 uur staining (vormstabiel): lens voorkomt dat ooglid over cornea heen gaat ->
onvoldoende bevochtiging
Aanpassing
o Interpalpebraal: kleinere diameter, op de cornea (tussen oogleden), oogleden over
lens heen -> beweegt -> traanuitwisseling
o Hoge edge lift/vlakke BCR: oncomfortabel, lens beweegt veel met knipperen
o Lid attachment: bovenooglid over periferie lens, beweegt mee met knipperslag
Behandeling
Knipperoefeningen
Aanpassing lens
o Overstappen van zachte naar vormstabiele lenzen
o Vormstabiel: van asferisch naar multicurve overstappen
o Vormstabiel: overgaan van lid-attachment naar interpalpebraal
o Droog oppervlak -> overstappen naar zacht (helpt bij 3 en 9 uur staining)
2