Historiografie & Geschiedfilosofie H.C. 12 – P. Vries – 13 mei 2019
Vorige week: ‘The revival of narrative’. Dit was een indicatie voor een aantal verschuivingen in de
geschiedwetenschap, onder meer wat betreft het kennisbegrip. Er is nu meer aandacht voor de
constructie van kennis, onder andere vanwege invloed van het postmodernisme. (Hoe je iets
opschrijft, is wat je bedoelt/wat je wil zeggen). Je gaat pas echt nadenken over wat je weet als je het
op moet schrijven.
Er was ook een mentale verschuiving: In de wetenschappelijke geschiedschrijving werd in de tijd van
geschiedenis als sociale wetenschap het menselijke element verdrongen door structuren. Men vond
dat de ‘agency’ van mensen er op termijn niet zo toe deed. Nu is er echter weer een verschuiving
naar meer aandacht voor de toeval, de onregelmatigheden, de samenloop van omstandigheden,
kortom het onvoorspelbare element van de geschiedenis.
Daarnaast is er meer aandacht voor de manier/structuur waarop je geschiedenis schrijft. ‘Het
verhaal’ als vorm is voor geschiedenis een geschikte vorm, omdat de historische werkelijkheid niet in
een strakke theoretische analyse in te passen is. Er blijft altijd dat onvoorspelbare, menselijke
element. Hierom is een verhaal dus niet onwetenschappelijk, maar juist bruikbaar. Daarnaast willen
historici breed gelezen worden. Een geschiedwetenschap die niet gelezen en bekend is is immers
geen geschiedenis.
Peer Vries benadrukt echter dat bovenstaande ontwikkelingen slechts door een klein deel van de
historici gevolgd zijn. De hoofdmoot is altijd Rankiaanse geschiedschrijving blijven bedrijven.
Vandaag: Global History: Dit is een veld dat vooral de laatste 20 jaar aan belang gewonnen heeft. In
de periode hiervoor bestond het (vrijwel) niet, want:
Geschiedenis als wetenschappelijke discipline ging ervan uit dat men niet voldoende
empirisch gestoeld kan beweren ‘hoe de wereld in elkaar zit’. Een empirische basis op
primaire bronnen was toen heel belangrijk, maar op basis van deze bronnen kun je slechts
geschiedenis over erg specifieke onderwerpen schrijven. Grote, brede uitspraken zijn dus
niet mogelijk. Hieruit blijkt ook het grote belang van de manier waarop je als historicus
opgeleid wordt voor de manier waarop je uiteindelijk zelf geschiedenis zal schrijven.
Velen waren ervan overtuigd dat er buiten Europa eigenlijk niets gebeurde. In de 19 e eeuw
was dit eigenlijk ook zo. Buiten Europa was er weinig schrift, universiteiten, etc., waardoor er
eigenlijk ook geen geschiedenis bestond die voor de Europeanen kenbaar was. Ook
nationalisme speelde hierin mee. Men was vooral geïnteresseerd in de geschiedenis van de
eigen staat. Als het al over gebieden buiten Europa ging, ging het over de manier waarop die
gebieden ‘beschaafd’ konden worden, dus dit is vooral een 19 e-eeuws perspectief. Veel
mensen van buiten Europa namen echter deze Europese ideeën over. (B.v. Soekarno, die in
Nederland gestudeerd had). Ook zij werden nationalistisch, en keerden zich zo dus met
Europese middelen tegen de Europese koloniale machthebbers. Dit betekende echter ook
dat ze kritisch waren op hun eigen verleden: men vond dit b.v. barbaars. (China ten tijde van
de communisten).
(verdere uitwerking 2e punt): Vanaf 1918 begon dit beeld langzaam te veranderen, en het sloeg
volledig om na WOII. De koloniale rijken verdwenen, en daarbinnen ontstond nationalistische
Vorige week: ‘The revival of narrative’. Dit was een indicatie voor een aantal verschuivingen in de
geschiedwetenschap, onder meer wat betreft het kennisbegrip. Er is nu meer aandacht voor de
constructie van kennis, onder andere vanwege invloed van het postmodernisme. (Hoe je iets
opschrijft, is wat je bedoelt/wat je wil zeggen). Je gaat pas echt nadenken over wat je weet als je het
op moet schrijven.
Er was ook een mentale verschuiving: In de wetenschappelijke geschiedschrijving werd in de tijd van
geschiedenis als sociale wetenschap het menselijke element verdrongen door structuren. Men vond
dat de ‘agency’ van mensen er op termijn niet zo toe deed. Nu is er echter weer een verschuiving
naar meer aandacht voor de toeval, de onregelmatigheden, de samenloop van omstandigheden,
kortom het onvoorspelbare element van de geschiedenis.
Daarnaast is er meer aandacht voor de manier/structuur waarop je geschiedenis schrijft. ‘Het
verhaal’ als vorm is voor geschiedenis een geschikte vorm, omdat de historische werkelijkheid niet in
een strakke theoretische analyse in te passen is. Er blijft altijd dat onvoorspelbare, menselijke
element. Hierom is een verhaal dus niet onwetenschappelijk, maar juist bruikbaar. Daarnaast willen
historici breed gelezen worden. Een geschiedwetenschap die niet gelezen en bekend is is immers
geen geschiedenis.
Peer Vries benadrukt echter dat bovenstaande ontwikkelingen slechts door een klein deel van de
historici gevolgd zijn. De hoofdmoot is altijd Rankiaanse geschiedschrijving blijven bedrijven.
Vandaag: Global History: Dit is een veld dat vooral de laatste 20 jaar aan belang gewonnen heeft. In
de periode hiervoor bestond het (vrijwel) niet, want:
Geschiedenis als wetenschappelijke discipline ging ervan uit dat men niet voldoende
empirisch gestoeld kan beweren ‘hoe de wereld in elkaar zit’. Een empirische basis op
primaire bronnen was toen heel belangrijk, maar op basis van deze bronnen kun je slechts
geschiedenis over erg specifieke onderwerpen schrijven. Grote, brede uitspraken zijn dus
niet mogelijk. Hieruit blijkt ook het grote belang van de manier waarop je als historicus
opgeleid wordt voor de manier waarop je uiteindelijk zelf geschiedenis zal schrijven.
Velen waren ervan overtuigd dat er buiten Europa eigenlijk niets gebeurde. In de 19 e eeuw
was dit eigenlijk ook zo. Buiten Europa was er weinig schrift, universiteiten, etc., waardoor er
eigenlijk ook geen geschiedenis bestond die voor de Europeanen kenbaar was. Ook
nationalisme speelde hierin mee. Men was vooral geïnteresseerd in de geschiedenis van de
eigen staat. Als het al over gebieden buiten Europa ging, ging het over de manier waarop die
gebieden ‘beschaafd’ konden worden, dus dit is vooral een 19 e-eeuws perspectief. Veel
mensen van buiten Europa namen echter deze Europese ideeën over. (B.v. Soekarno, die in
Nederland gestudeerd had). Ook zij werden nationalistisch, en keerden zich zo dus met
Europese middelen tegen de Europese koloniale machthebbers. Dit betekende echter ook
dat ze kritisch waren op hun eigen verleden: men vond dit b.v. barbaars. (China ten tijde van
de communisten).
(verdere uitwerking 2e punt): Vanaf 1918 begon dit beeld langzaam te veranderen, en het sloeg
volledig om na WOII. De koloniale rijken verdwenen, en daarbinnen ontstond nationalistische