Introductie SPSS
Data View Scherm
- Kolommen (X-as): Elke kolom vertegenwoordigt een variabele in je dataset. Dit kunnen
bijvoorbeeld leeftijd, geslacht, inkomen, etc. zijn.
- Rijen (Y-as): Elke rij vertegenwoordigt een geval (of observatie) in je dataset. Bijvoorbeeld, als
je een dataset hebt van 100 mensen, dan heeft elke rij gegevens voor één persoon
(bijvoorbeeld persoon 1, persoon 2, enz.).
Variable View Scherm
- Name: Dit is een korte, unieke naam voor elke variabele. Bijvoorbeeld, 'age' voor leeftijd,
'gender' voor geslacht.
- Label: Een langere beschrijving van de variabele, die helpt om duidelijk te maken wat de
variabele inhoudt. Bijvoorbeeld, 'Leeftijd van de respondent' of 'Geslacht van de respondent'.
, - Values: Dit geeft de betekenis van de gecodeerde waarden aan. Bijvoorbeeld, als je geslacht
hebt gecodeerd, kan '1' staan voor 'man' en '2' voor 'vrouw'.
- Measure: Dit geeft het meetniveau van de variabele aan. Er zijn drie typen:
- Nominaal: Categorische data zonder rangorde. Bijvoorbeeld, geslacht (man/vrouw).
- Ordinaal: Geordende categorieën. Bijvoorbeeld, opleidingsniveau (laag, middelbaar,
hoog).
- Scale: Dit omvat zowel interval- als ratio-niveaus, die numerieke waarden met een
betekenisvolle rangorde vertegenwoordigen. Bijvoorbeeld, leeftijd in jaren, inkomen in
euro's.
Werken in SPSS:
Frequentieverdeling/Frequentietabel
Een frequentietabel laat zien hoe vaak elke waarde van een variabele voorkomt, inclusief percentages
en cumulatieve percentages.
Stappen voor het genereren van een frequentieverdeling:
1. Ga naar het Data View scherm.
2. Klik op Analyze.
3. Ga naar Descriptive Statistics.
4. Selecteer Frequencies.
5. Plaats de gewenste variabelen in de box.
6. Klik op Ok of Paste (bij paste komt de ‘’opdracht’’ die je SPSS geeft te staan in de Syntax)
7. Na Paste druk je op ‘run selection’ in het syntax venster (de grote groene driehoek)
8. De output verschijnt in het output venster.