Methodologie 1
DT2
Orlando Velthuijzen
Hoorcollege 5:
Variabele = kenmerk van een individu die verschillende waarde kan hebben.
Categoriale meting = het toekennen van categorieën aan individuen
-Nominaal variabele = niet-geordende categorieën (oogkleur)
-ordinaal variabele = Geordende categorieën (mavo, havo, vwo)
Kwantitatieve variabelen = variabelen waarmee je kan rekenen zoals x mg/ml.
-verhoudingen zijn betekenisvol tenzij er een nulpunt is gekozen
-Bestaan uit: discreet en continu
Discreet -> alleen bepaalde waarden die mogelijk zijn zoals schoenmaat.
Continu -> waarden zoals lengte en gewicht die in allerlei vormen kunnen voorkomen.
Operationalisatie = De stap van variabele naar meting
Categoriale variabelen -> kunnen worden gerepresenteerd in een staaf en taartdiagram.
Numerieke variabelen -> kunnen worden gerepresenteerd in een Stem & Leaf plot en een
histogram
Gemiddelde = som van alle metingen delen door het aantal metingen.
Mediaan = middelste van de gegevens
-Wanneer N oneven is, dan (n+1)/2
-Wanneer N even is, dan N/2
Mediaan -> relatief ongevoelig voor incidentele extreme waarde
-gemiddelde is hoger wanneer de waarden scheef naar rechts zijn verdeeld (hoe
schever, hoe meer verschil)
InterQuartile Range = afstand tussen Q3-Q1 waarmee je uitbijters
kan definiëren.
Standaarddeviatie = de standaardafwijking, ofwel de maat voor de
spreiding van een variabele. Deze ligt tussen het gemiddelde en de
meest afwijkende waarde die binnen de 95% CI ligt.
Uitbijters -> Beïnvloeden wel het gemiddelde en de standaardafwijking, maar
niet/nauwelijks de mediaan en het IQR.
, Methodologie 1
DT2
Orlando Velthuijzen
Hoorcollege 6:
Type 1-denken = kansen die voor populaties gelden intuïtief toe te passen op ons zelf.
Statistiek = kijken naar relatie tussen steekproef en populatie, aan de hand van
kansmodellen.
Kansrekenen = systematisch rekenen aan kans processen.
-systematisch omgaan met kansen op basis van
rekenregels en het modelleren van kans
processen
Pr(X)/P(X) = de kans op ‘gebeurtenis’ X, met
een waarde tussen 0 en 1
Complementregel -> Pr(A) = 1 – Pr(‘niet’A)
Disjunctie gebeurtenissen -> Pr(A of B) = Pr(A) + Pr(B)
-wanneer valt de gebeurtenis niet samen
-de kans dat A voor SP stemt en B voor PVV
Productregel voor onafhankelijkheid -> Pr(A en B) = Pr(A) x Pr(B)
-de kans dat iemand blond is en ook van kroketten houdt
Algemene somregel -> Pr(A of B) = Pr(A) + Pr(B) – Pr(A en B)
-hierin corrigeer je voor samenvallende gebeurtenissen zodat je deze niet bij elkaar
optelt en dus dubbel meeneemt in je beoordeling
Algemene productregel -> Pr(A en B) = Pr(A) x Pr(BIA)
-I = gegeven dat B afhankelijk is van A
PVW -> als je een positieve test hebt, dan is de kans X dat je de ziekte hebt.
NVW -> als je een negatieve test hebt, dan is de kans X dat je de ziekte niet hebt.
DT2
Orlando Velthuijzen
Hoorcollege 5:
Variabele = kenmerk van een individu die verschillende waarde kan hebben.
Categoriale meting = het toekennen van categorieën aan individuen
-Nominaal variabele = niet-geordende categorieën (oogkleur)
-ordinaal variabele = Geordende categorieën (mavo, havo, vwo)
Kwantitatieve variabelen = variabelen waarmee je kan rekenen zoals x mg/ml.
-verhoudingen zijn betekenisvol tenzij er een nulpunt is gekozen
-Bestaan uit: discreet en continu
Discreet -> alleen bepaalde waarden die mogelijk zijn zoals schoenmaat.
Continu -> waarden zoals lengte en gewicht die in allerlei vormen kunnen voorkomen.
Operationalisatie = De stap van variabele naar meting
Categoriale variabelen -> kunnen worden gerepresenteerd in een staaf en taartdiagram.
Numerieke variabelen -> kunnen worden gerepresenteerd in een Stem & Leaf plot en een
histogram
Gemiddelde = som van alle metingen delen door het aantal metingen.
Mediaan = middelste van de gegevens
-Wanneer N oneven is, dan (n+1)/2
-Wanneer N even is, dan N/2
Mediaan -> relatief ongevoelig voor incidentele extreme waarde
-gemiddelde is hoger wanneer de waarden scheef naar rechts zijn verdeeld (hoe
schever, hoe meer verschil)
InterQuartile Range = afstand tussen Q3-Q1 waarmee je uitbijters
kan definiëren.
Standaarddeviatie = de standaardafwijking, ofwel de maat voor de
spreiding van een variabele. Deze ligt tussen het gemiddelde en de
meest afwijkende waarde die binnen de 95% CI ligt.
Uitbijters -> Beïnvloeden wel het gemiddelde en de standaardafwijking, maar
niet/nauwelijks de mediaan en het IQR.
, Methodologie 1
DT2
Orlando Velthuijzen
Hoorcollege 6:
Type 1-denken = kansen die voor populaties gelden intuïtief toe te passen op ons zelf.
Statistiek = kijken naar relatie tussen steekproef en populatie, aan de hand van
kansmodellen.
Kansrekenen = systematisch rekenen aan kans processen.
-systematisch omgaan met kansen op basis van
rekenregels en het modelleren van kans
processen
Pr(X)/P(X) = de kans op ‘gebeurtenis’ X, met
een waarde tussen 0 en 1
Complementregel -> Pr(A) = 1 – Pr(‘niet’A)
Disjunctie gebeurtenissen -> Pr(A of B) = Pr(A) + Pr(B)
-wanneer valt de gebeurtenis niet samen
-de kans dat A voor SP stemt en B voor PVV
Productregel voor onafhankelijkheid -> Pr(A en B) = Pr(A) x Pr(B)
-de kans dat iemand blond is en ook van kroketten houdt
Algemene somregel -> Pr(A of B) = Pr(A) + Pr(B) – Pr(A en B)
-hierin corrigeer je voor samenvallende gebeurtenissen zodat je deze niet bij elkaar
optelt en dus dubbel meeneemt in je beoordeling
Algemene productregel -> Pr(A en B) = Pr(A) x Pr(BIA)
-I = gegeven dat B afhankelijk is van A
PVW -> als je een positieve test hebt, dan is de kans X dat je de ziekte hebt.
NVW -> als je een negatieve test hebt, dan is de kans X dat je de ziekte niet hebt.