Nederland bleef de hele Eerste Wereldoorlog neutraal.
In oktober 1914 vluchtten zo'n 1 miljoen Belgen naar Nederland. Vooral in Roosendaal en
Bergen op Zoom, doordat er zoveel Belgen waren, werden ze door heel Nederland verdeeld
bij verschillende gemeentes. Ook namen veel Nederlanders Belgen in huis. Veel Belgen
keerden na een paar maanden terug nadat de rust in België terugkeerde doordat de Duitse
aanval in Frankrijk was vastgelopen.
Doordat de Belgen massaal gingen vluchten naar hun buurland werd er een dodendraad
gebouwd tussen Nederland en België. Die bleef staan van 1915 tot 1918, honderden doden
zijn hierdoor veroorzaakt.
Vanaf 1917 ontstonden grote tekorten aan voedsel en brandstof, hierdoor had de regering
een distributiesysteem ingevoerd, bonkaarten. Hiermee konden bewoners hun vaste
rantsoenen mee kopen.
Belangrijke voedsel was :
Brood, aardappelen, vlees, rijst, margarine, suiker, thee, koffie.
Schoenen en kleding werd ook verkocht op de bon.
De benodigdheden werden steeds kleiner, begin 1917 kon je nog maar een half brood halen
en een jaar later was dit nog maar een kwart. Mensen die genoeg geld hadden kochten
illegaal eten op de zwarte markt en mensen gingen ook over naar katten en honden eten.
Door de pacificatie in 1917 kwam er een eind aan de schoolstrijd, dat was een strijd tussen
liberalen en confessionelen. Dit ging over de financiële gelijkstelling van openbaar onderwijs
en bijzonder/speciaal onderwijs.
Door de grondwet van 1917 kwam er algemeen mannenkiesrecht en passief
vrouwenkiesrecht.
Begrippen 3.1
Dodendraad: hek onder hoogspanning aan de Belgisch-Nederlandse grens in de Eerste
Wereldoorlog
Mobilisatie: het leger gereed maken voor oorlog
Neutraliteit: geen partij kiezen in een conflict of oorlog
Algemeen mannenkiesrecht: alle mannen mogen stemmen
Passief kiesrecht: het recht om zich bij verkiezingen kandidaat te stellen, dus het recht om
gekozen te worden.