* Van 500-1000
* De Middeleeuwen
* Van 500 tot 1500
* Op de voorgrond zie je een helm en op de achtergrond een
Romaanse kerk. Beide zijn elementen van de samenleving in de
vroege Middeleeuwen: ridderschap en de christelijke kerk.
Dit tijdvak heeft vier kenmerkende aspecten:
1 De vrijwel volledige vervanging in West-Europa van de agrarisch-
urbane cultuur door een zelfvoorzienende agrarische cultuur,
georganiseerd via hofstelsel en horigheid
Het wegvallen van Het Romeinse Rijk had grote gevolgen voor de economie. Door de
Germaanse invallen liepen de steden leeg en werd de maatschappij agrarischer van
karakter. Het centrale bestuur verdween en omdat er onvoldoende geld was, verslechterde
het onderhoud van wegen. Steden verloren een groot deel van de bevolking. Daardoor werd
handel drijven steeds moeilijker. Ook de specialisatie in beroepen had weinig zin. Gezinnen
gingen voor zichzelf produceren. De agrarisch-urbane samenleving van de Romeinen
veranderde steeds meer in een agrarische samenleving. Men ging van een geldeconomie
naar ruilhandel. De landgoederen ontwikkelden zich tot autarkische (zelfvoorzienende)
systemen, die weinig nodig hadden van de buitenwereld. En de boeren gaven hun vrijheid en
zelfstandigheid op in ruil voor bescherming die het wonen op een domein bood. Ze verloren
daarmee hun zelfstandigheid en werden horigen. Een landgoed bestond vaak uit twee delen:
vroonland en hoevenland. Het vroonland werd door de edelman zelf beheerd, en
daaromheen lagen vaak akkers en weiden. Het vroonland en de werkplaatsen werden
onderhouden door de lijfeigenen van het landgoed. De rest van het domein was hoevenland.
Vrijen en horigen konden deze hoeven pachten. De handel was in verval geraakt en dus was
het noodzakelijk om zoveel mogelijk van je eigen domein te kunnen leven. Op de meeste
domeinen ontwikkelde zich dan ook een autarkische economie. Boeren specialiseerden zich
in bijvoorbeeld smeden en weven: alles wat een kleine gemeenschap nodig had. Dit systeem
heet het hofstelsel.
Agrarisch-autarkische samenleving: samenleving met vooral landbouw, weinig steden en
handel, en weinig specialisatie in nijverheid. De nadruk ligt op landbouw en deze
samenleving is zelfvoorzienend.
Agrarisch-urbane samenleving: samenleving waarin de meeste mensen van de landbouw
leven, maar waar ook kleine steden met voornamelijk handel en nijverheid zijn.
Autarkie: zelfvoorzienend, weinig afhankelijk.
Hofstelsel: economisch systeem van een door vrijen en horige bewerkt landgoed.
Horigen/horigheid: boeren die aan het domein van een heer gebonden zijn.
Lijfeigene: boer die gebonden was aan de landeigenaar, niet aan het land.
Vrijen: boeren die geen horigen waren. Ze hadden eigen grond of pachtten grond. Een vrije
had rechten maar ook plichten.
Herendiensten: werkzaamheden die horigen op het landgoed moesten uitvoeren.
467: De laatste keizer van het Romeinse Rijk wordt afgezet.
863: Dorestad raakt in verval.
Oefenvragen:
Noem vier oorzaken voor het ontstaan van het hofstelsel.
1. Het wegvallen van een centraal bestuur.
2. Het leeglopen van steden.
3. Het wegvallen van handel en een geldeconomie.