* Van 1700-1800
* De Vroegmoderne tijd
* Van 1500-1800
* De guillotine, de valbijl op de voorgrond, staat
symbool voor de Franse Revolutie. Op de
achtergrond zie je dat burgers kijken naar een
natuurkundig experiment. Hun witte pruiken
waren in de achttiende eeuw in de mode bij de
rijke mensen.
Dit tijdvak heeft vier kenmerkende aspecten:
1 Rationeel optimisme en verlicht denken, dat werd toegepast op alle terreinen
van de samenleving: godsdienst, politiek, ecoomie en sociale verhoudingen.
Frankrijk probeerde met ontdekkingsreizen hun positie in o.a. de Indische Oceaan te
versterken, in de Tijd van Pruiken en Revoluties. Engeland was namelijk niet bij te benen
wat betreft handel en koloniën.
In dit tijdvak kenden de Europese landen nog steeds een standenmaatschappij, waarbij de
adel en geestelijkheid over privileges beschikten en de rest van de bevolking gebruikten.
Maar de sociale verhoudingen kwamen onder druk te staan door de toenemende
economische macht van de derde stand. Er was namelijk veel ontevredenheid.
De wetenschappelijke revolutie uit de Tijd van Regenten en Vorsten had een groot aantal
ontdekkingen op natuurwetenschappelijk gebied gebracht. Hierdoor geïnspireerd ging men
ook op een meer wetenschappelijke wijze nadenken over de maatschappelijke
verhoudingen. Net als in de natuurwetenschappen, wilden filosofen meer uitgaan van het
‘gezonde verstand’, van de rede (rationalisme). Door in hun denken los te komen van het
geloof en van de aanname dat de door God gegeven samenleving ideaal was, wilden ze dat
de samenleving verbeteren. In de Verlichting bekritiseerde een aantal denkers dan ook de
kerk. Filosoof Voltaire was hierin leidend. Rousseau richtte zich vooral op de oorspring van
de macht van de koning. Hij en John Locke waren het erover eens dat de sociale en
bestuurlijke verhoudingen onevenwichtig waren. Ze waren beiden tegenstanders van het
droit divin: de opvatting dat de macht van de koning van God afkomstig zou zijn. De koning
regeerde namelijk als absoluut vorst en was de hoogste rechter, en hij moest niks weten van
de kritiek. Volgens de voorstanders van volkssoevereiniteit hoorde de bestuursmacht bij het
volk te liggen en moest de koning verantwoording aan het volk afleggen. De
verlichtingsideeën werden verspreid in cafés, salons, via boeken en verzamelwerken.
Ancien Régime: letterlijk: Oude Orde. Benaming voor de maatschappij van vóór de Franse
Revolutie toen er nog sprake was van een standenmaatschappij en een absoluut regerende
vorsten.
Sociale verhoudingen: de wisselwerking tussen de verschillende groepen in de
samenleving.
Rationalisme: het boven alles stellen van de rede, het verstand.
Verlichting,verlicht denken: stroming in de 18e eeuw. Verlichte denkers vonden dat
mensen meer gebruik moesten maken van de rede, het verstand. Meer vrijheid en gelijke
rechten voor iedereen zouden bijdragen aan de vooruitgang van de samenleving.
Trias Politica: driedeling van de staatsmacht: de wetgevende macht is in handen van de
volksvertegenwoordiging, de uitvoerende macht ligt bij de koning en zijn ministers en de
rechterlijke macht is in handen van onafhankelijke rechters.
Volkssoevereiniteit: de bestuursmacht ligt bij het volk.
1632-1704: John Locke
1689-1755: Charles de Montesquieu
1694-1778: Voltaire
1712-1778: Jean-Jacques Rousseau
1715: Lodewijk XIV sterft
, 1748: Montesquieu publiceert De l’esprit des lois
Persoon: Charles de Montesquieu (1689-1755)
Charles de Montesquieu concludeerde in zijn De l’esprit des lois dat
het Engelse model, waarbij de volksvertegenwoordiging het recht
had wetten te maken en deze goed te keuren, beter was dan het
model dat in Frankrijk werd gebruikt. Volgens zijn Trias Politica
moest er een driedeling van de macht komen (zie begripsomschrijving). Hij wordt gezien als
een van de grondleggers voor de sociologie en een van de belangrijkste (Franse) filosofen
uit de Verlichting.
2 Voortbestaan van het Ancien Régime met pogingen om het vorstelijk bestuur op
eigentijdse, verlichte wijze vorm te geven (Verlicht Absolutisme).
Koning Frederik de Grote van Pruisen is wel de meest uitgesproken vertegenwoordiger van
het verlicht absolutisme. Hij nodigde vaak verlichte denkers en leden van de Pruisische
Academie van Wetenschappers uit in zijn paleis in Potsdam. Actief discussieerde hij met
hen over nieuwe maatschappelijke inzichten en natuurwetenschappelijke ontdekkingen. Hij
probeerde dan ook deze denkbeelden toe te passen om het bestaan van zijn onderdanen
draaglijker te maken. Zo paste hij de verlichtingstheorieën toe in het onderwijs,
gezondheidszorg en in de rechtspraak. Maar wanneer het op besturen aankwam, eiste hij
alle macht op. (Alles voor het volk, niets door het volk).
Voltaire en Frederik hadden een innige vriendschap, maar na een aantal jaar vertrok
Voltaire uit Pruisen na een aantal ruzies. Toch verschilden hun opvattingen over de wijze
van besturen niet veel van elkaar.
Frederik de Grote vond zichzelf een modelvorst: verlicht en daadkrachtig. De opkomende
mogendheden Pruisen en Oostenrijk streden in Midden-Europa al langer om de
heerschappij. Toen Maria Theresia haar vader in Oostenrijk opvolgde, eisten verschillende
Europese vorsten de troon op. Ze vroegen zich af of een vrouw wel kon besturen. Daardoor
brak er een oorlog uit waarbij alle Europese grootmachten bij betrokken waren. Het was
tijdens de Oostenrijkse Successieoorlog dat Frederik erin slaagde de provincie Silezië te
veroveren. Er werd gestreden om de eer van de koning en economisch voordeel behalen.
In de Zevenjarige oorlog, een vervolg op de Successieoorlog, versloeg Pruisen Oostenrijk
opnieuw. Aan het eind van dit tijdvak was Pruisen flink uitgebreid.
Verlicht absolutisme: als vorsten onder invloed van de Verlichting hun bestuur
verbeterden, maar wel alle macht in handen hielden. Ook wel verlicht despotisme genoemd.
1740: Frederik II (de Grote) koning in Pruisen
1740-1748: Oostenrijkse Successieoorlog
1756-1763: Zevenjarige Oorlog
Oefenvragen:
Leg uit hoe het denken van Frederik de Grote over oorlog veranderde.
Frederik was aanvankelijk uit humane overwegingen tegen oorlog. Later liet hij het
staatsbelang voorgaan en vond hij oorlog noodzakelijk om de belangen van Pruisen te
verdedigen.
Verschilde hij daarin uiteindelijk van zijn vader en van de absolute vorsten?
Hij verschilde uiteindelijk niet van ze, omdat zijn vader en andere absolute vorsten voor het
land oorlog voerden. Het (vermeende) staatsbelang stelde hij dus voorop.
3 Uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van
plantagekoloniën; hiermee verbonden was de slavenhandel en als gevolg hiervan
kwam het abolitionisme op.
In de Tijd van Ontdekkers en Hervormers hadden de Spanjaarden gebieden in Amerika
veroverd en daar gebruik gemaakt van de land- en mijnbouw. Ze waren grootgrondbezitters
met plantages waarop ze suikerriet en tabak verbouwden. Deze producten verscheepten ze
naar Europa. Toen in de 17e eeuw de mijnen uitgeput raakten, kregen de koloniën in