HC 1+2
Organellen: aparte, herkenbare structuren met allemaal een gespecialiseerde functie binnen de cel
Celmembraan
- Bestaan uit lipiden (vetten)
- Vormt een goede barrière tussen het interne en externe milieu
- Bevat kanalen: voor communicatie en het doorlaten van stoffen
- Polaire koppen naar buiten gericht
- Celmembranen kunnen als soort klittenband in elkaar zitten: groot contactoppervlak
- Desmosoom: specialisatie: structuur in het celmembraan: keratine filamenten van
grenzende cellen hebben interactie via cadherin proteins: vaak bij epitheelcellen: stevigheid
- Gap junctions: specialisatie: soort tunneltje tussen grenzende cellen: voor communicatie
Cytoskelet
- Netwerk van eiwitfilamenten: geeft de cel zijn vorm en zorgt dat interne componenten zich
kunnen organiseren en bewegen: gaat door het cytoplasma
o Microtubuli: de dikste fillamenten: rails van de cel: holle rechte cilinders uit tubuline
delen; aan één kant verbonden met de mictrotubule-organizing center: een
centrosoom. Ze verdelen de chromosomen bij celdeling.
o Intermediate filaments: door de cel heen; erg flexibel en scheuren niet snel: geven
sterkte
o Actinefilamenten (microfilamenten): helixvormig; georganiseerd in lineaire bundels
uit actine delen; voor beweging; dunste filamenten; verspreid door de cel maar het
meeste in de cortex: laag cytoplasma dat net onder het plasmamembraan ligt.
Cytoplasma
- Bevat allerlei onderdelen: vetten, zouten, mRNA, ribosomen enz.
- Bevat het mitochondrium: energiecentrale cel
o Eigenlijk parasieten: eigen DNA (zelf kunnen delen), eigen ribosomen en 2
membranen: één lijkt op gastheercel, andere op origineel. Vetzuursamenstelling
membraan anders
o Cristae: binnenste membraan kronkelt naar binnen en vormt zo een structuur die
cristae heet
o Vorm verschilt: niet altijd boonvormig
Kern
- Eukaryoot: met celkern
- Prokaryoot: zonder celkern: o.a. rode bloedcellen
- Cel kan ook meerder kernen hebben: bv. Spiercellen: versmelten maar kern blijft intact.
- Kern kan veel vormen aannemen
- In de kern:
o Nucleolus: bevat genen die ribosomaal RNA synthetiseren
o Heterochromatine: gespiraliseerd DNA dat voor die cel niet wordt gebruikt
o Euchromatine: actief DNA
- Nucleopore: portiereiwit van de kern
~1~
,Ribosomen
- Ruw ER
o Bevat gebonden ribosomen
o Soort georganiseerde platen op elkaar: ruimte voor de ribosomen nodig
o Veel ruw ER in een cel waar veel gesynthetiseerd word: de ribosomen zijn namelijk
structuren die RNA naar eiwitten vertalen
- Glad ER
o Netwerk van buisjes
o Voor o.a. ontgifting, cholesterol enz.
Golgi complex
- Voor bewerking van moleculen
- Cis-kant is de ingang; trans-kant is de uitgang
- Met endo- en exocytose materiaal in en uit het golgi vervoeren
o Pinocytose: kleine hapjes,
o Endocytose: altijd clathrin coated pit (soort structuur)
o Fagocytose: grote happen
- Sekreetkorrels: gemaakt in het golgi: omgeven door blaasjes; liggen te wachten totdat ze
nodig zijn: dan exocytose
Lysosomen
- Hier vindt vertering van intracellulaire stoffen plaats
Peroxisomen
- Met een membraan omhulde blaasjes
- Zorgen voor een veilige omgeving bij reacties waarbij waterstofperoxide wordt gebruikt voor
het inactiveren van giftige moleculen
Afmetingen (oplopend)
- Membraan: 7 nm
- Actine filament: 9 nm
- Ribosoom: 20 nm
- Tubuline: 20 nm
- Coated pit: 50 nm
- Nucleolus: 0.1 –3 µm
- Mitochondrion: 0,5 x 4 µm
- Sekreetkorrel: 0,8 µm
- Kern: 7 –100 µm
- Cel 2 µm –2 m
- (Nucleosoom: 11 nm)
HC 3+4
Structuur biomoleculen: H2
Structuur en functie DNA
- Fosfaat (P met 4 keer O; aan 5e koolstofatoom), suiker, vier basen
- Basen:
~2~
, o Adenine, cytosine, guanine, thymine
- Suiker: pentose, genummerde koolstofatomen: belangrijk voor oriëntatie
- RNA: ribose, DNA: deoxyribose: geen O atoom op C-2
- Zie plaatjes van panel 2-6 op blz. 76
- Base+suiker= nucleoside
- Base+suiker+fosfaat= nucleotide
- dATP (deoxyadenosine triphosphate): bouwsteen DNA. ATP bouwsteen RNA
o Ofwel dNTP (N is een van de basen)
- Zie afbeelding 2-26
o DNA stopt met verlengen als er geen O-atoom op C3 is (o.a. bij PCR-methode)
- Pyrimidines (Y) (zeshoekig)
o Thymine
o Cytosine
o Uracil
- Purines (R): 8 C-atomen (zie panel 2-6)
o Adenine
o Guanine
- Purines met pyrimidines: goede OH bruggen vormen.
o Zie afbeelding 5-6a
- Fosfaat aan de buitenkant
o Negatieve lading
- Bij tekening streng 5’ (fosfaat kant) altijd linksboven, rechtsboven 3’ (OH-kant): hier kan
bijgebouwd worden
- 10 basen per winding, rechtsdraaiende helix
- Genen coderen voor een RNA en meestal voor eiwitten (kan ook voor bv. rRNA of tRNA
coderen)
- 3 belangrijke experimenten hebben aangetoond dat DNA erfelijk materiaal is:
o Griffith experiment: muizen virus toegediend. Bij combinatie van onschadelijk
gemaakte bacterie (verhitting) en niet-dodelijke bacterie muis alsnog dood.
Conclusie: eigenschappen van de dode (onschadelijke) bacterie worden
overgenomen: d.m.v. DNA (dit had de verhitting overleefd)
o Avery- Macleod- Mccarty: onderdelen van cel scheiden, kijken welk onderdeel de
niet-dodelijk stam kon transformeren. Dit bleek DNA te zijn. Toch zit bij DNA ook
eiwitten: vervolgonderzoek Hershey & Chase
~3~