Wat is psychopathologie/abnormale psychologie: De wetenschappelijke studie van het psychologisch
disfunctioneren, met als doel om abnormale patronen van functioneren te beschrijven, voorspellen,
verklaren en veranderen.
Het is moeilijk om problemen te definiëren als afwijkend. De beste manier om psychologisch
disfunctioneren te benoemen is door de 4 D’s:
- Deviance: afwijkend gedrag, anders, extreem, ongebruikelijk, misschien zelfs bizar.
o Abnormaal gedrag, gedachten en emoties zijn die duidelijk verschillen van de ideeën van
een samenleving over goed functioneren. Elke maatschappij stelt een aantal normen
(geschreven en ongeschreven regels van de maatschappij voor goed gedrag). Gedrag dat
de wettelijke normen overtreedt wordt als misdadig beschouwd.
o Oordelen over wat abnormaliteit is, variëren van maatschappij tot maatschappij. De normen
van een samenleving groeien uit zijn eigen cultuur (=zijn geschiedenis, waarden,
instellingen, gewoonten, vaardigheden, technologie en kunst).
- Distress: onaangenaam en bedroevend voor de persoon.
o Zelfs functioneren dat als ongebruikelijk wordt beschouwd, kwalificeert niet
noodzakelijkerwijs als abnormaal. Volgens veel klinische theoretici moeten gedrag, ideeën of
emoties gewoonlijk distress (angst) veroorzaken voordat ze als abnormaal kunnen worden
bestempeld. Maar dit is niet in elk geval; sommige mensen die abnormaal functioneren
behouden een positieve gemoedstoestand.
- Dysfunction: verstoren van het vermogen van de persoon om dagelijkse activiteiten op een
constructieve manier uit te voeren.
- Danger: gevaar voor zichzelf of voor anderen.
o Hoewel gevaar vaak wordt aangehaald als een kenmerk van abnormaal psychisch
functioneren, suggereert onderzoek dat het eerder een uitzondering is dan de regel.
Hoewel we het ermee eens kunnen zijn om psychologische abnormaliteiten te definiëren als patronen van
functioneren die afwijkend, angstig, disfunctioneel en soms gevaarlijk zijn, moeten we duidelijk zijn dat
deze criteria vaak vaag is.
BEROEPSMOGELIJKHEDEN
Er zijn veel beroepsmogelijkheden:
- Klinische wetenschap
o Denk aan wetenschappelijk onderzoeker: Psychische stoornissen beschrijven, voorspellen
en verklaren of de effectiviteit van psychologische behandelingen onderzoeken.
- Klinische praktijk
o Psycholoog/psychotherapeut: psychische stoornissen behandelen.
Na de studie psychologie zijn er verschillende beroepen mogelijk die ook verschillen van elkaar:
- Psycholoog: na je Bsc of Master kun je jezelf zo noemen, ook wel basispsycholoog.
- GZ-psycholoog: na je psychologiestudie. Deze vervolgopleiding duurt 2 jaar en bevat het veld van
de geestesziektes.
- Klinisch psycholoog: na je GZ-opleiding. Dit duurt 4 jaar en geeft ook aandacht aan management,
beleid en vooral wetenschappelijk onderzoek.
- Psychotherapeut: na je psychologiestudie. Dit duurt 3-4 jaar en bereid je voor de gespreksvoering,
om vooral te praten en zo problemen op te lossen bij mensen.
o Begeleidings-, educatieve-, schoolpsychologen en huwelijks-, familietherapeuten, en sociale
en psychiatrische werknemers.
- Psychiater: na je geneeskunde-studie. Als je verder studeert zal je studeren voor dokter en kan je
medicijnen voorschrijven.
ONDERZOEKEN
Binnen de klinische wetenschap probeert men bepaalde patronen of wetten van abnormaal
psychologisch functioneren te vinden en onderzoeken. Deze onderzoekers stellen normaal gesproken
geen diagnose en behandelen geen individuele cliënten, dat is de taak van de klinische praktijk.
Wetenschappelijke onderzoeker maakt gebruik van de wetenschappelijke methode en verzamelt en
evalueert informatie door nauwkeurige observaties.
Klinisch onderzoek is belangrijk, omdat we een juist beeld moeten krijgen van de problemen en
oplossingen. Wetenschappers zoeken altijd naar een nomothetisch beeld; een algemeen begrip van de
,oorsprong, natuur en behandeling van abnormaliteiten. Om zulke inzichten te verkrijgen gebruiken ze de
wetenschappelijke methode: het proces waarbij men systematisch informatie verzamelt en evalueert
door observaties, om zo een fenomeen te begrijpen. Hierdoor kunnen ze bepaalde relaties tussen
variabelen verklaren, een karakteristiek of gebeurtenis kan dan veranderen. Om dit te onderzoeken,
gebruiken onderzoekers altijd eerst een hypothese: een aanname dat bepaalde variabelen op een
bepaalde manier een verband hebben. Het onderzoeken van een hypothese kan op verschillende
manieren:
- Casestudie: een gedetailleerde beschrijving van het leven en psychologische problemen van een
persoon. Het beschrijft de geschiedenis, gebeurtenissen, omstandigheden en symptomen:
o Voordelen: het is een bron van nieuwe ideeën en onderzoeken, het is een voorlopige
onderbouwing voor een theorie, het kan dienen om de aannames van een theorie aan te
vechten, het kan de waarde van therapeutische technieken laten zien en het geeft een kans
om ongewone problemen te onderzoeken die niet vaak voorkomen.
o Nadelen: observer bias (=de observator zien alleen de dingen dei observant wil of verwacht
te zien), casestudies vertrouwen op subjectief bewijs en de resultaten kunnen niet zomaar
gegeneraliseerd worden.
- Correlationele methode: het vaststellen van correlaties (=de graad waarin variabelen invloeden op
en verbanden met elkaar hebben). Het doel is om de correlatie te vinden, en als deze er is, kijken
hoe groot deze is. Hiervoor wordt een correlatiecoëfficiënt gebruikt, een getal die kan variëren
tussen -1,00 (negatief) tot 1,00 (positief) en waarbij een 0 geen correlatie betekent. Vaak kan een
correlatie op zichzelf geen verklaring zijn, maar geeft het een goed zetje voor verder onderzoek.
o Voordelen:
o Nadelen: Het zegt niks over de causaliteit of verklaring. Wanneer X met Y correleert kan het
zo zijn dat X de oorzaak is van Y, of Y de oorzaak van X. Er kan ook een derde variabele Z
in het spel zijn.
Longitudinale studie: dezelfde groep individuen wordt voor een langere periode
bestudeerd. Deze studies worden vaak gebruikt om ontwikkeling, veranderingen en
stabiliteit van bepaalde eigenschappen te bestuderen.
Epidemiologische studies: het voortkomen en de prevalentie van een stoornis
wordt in een bepaalde populatie gemeten.
- Experimentele methode: hierbij gebruikt men een echt experiment om de oorzaak te vinden
tussen twee variabelen. De onafhankelijke variabele wordt gemanipuleerd en het effect van de
manipulatie op de afhankelijke variabele wordt gemeten. Hierbij worden mogelijke confounds
(=andere factoren die zorgen voor het resultaat) zoveel mogelijk tegengehouden door:
o Controlegroep: participanten die niet blootgesteld worden aan de onafhankelijke variabele,
maar verder wel dezelfde ervaringen heeft als mensen in de experimentele groep
(=participanten die wel blootgesteld worden aan de onafhankelijke variabele)
o Random assignment: participanten worden willekeurig ingedeeld in of de controlegroep of
de experimentele groep. Op deze manier kan er geen sprake zijn van selectie. Iedere
participant heeft evenveel kans om in de groepen te komen.
o Masked design: de participanten weten niet in welke conditie ze zich bevinden en zo
kunnen ze de resultaten niet beïnvloeden, eerst blind design genoemd.
Placebo
Dubbelblind: geldt voor zowel participanten als voor onderzoekers.
Er zijn meerdere designs nodig die onderzoekers als experiment kunnen gebruiken om verbanden tussen
variabelen te vinden:
- Quasi-experimenten (mixed design): een onderzoeksontwerp dat essentiële elementen van een
puur experiment niet bevat en/of elementen van zowel experimentele als correlationele studies met
elkaar vermengt.
- Matched design: onderzoekers maken gebruik van al bestaande groepen. Hierna kunnen ze de
controlegroep nog verder bekijken en deze participanten matchen met de participanten van de
experimentele groep.
o Voorbeeld: een kindermishandeling heeft invloed op het zelfbeeld. Al bestaande groepen is
een groep die mishandeld is en een groep die niet mishandeld is.
- Natuurlijke experimenten: een onderzoeksontwerp waarbij de natuur zelf de manipulatie uitvoert
van de onafhankelijke variabele. Zulke experimenten worden gebruikt bij onverwachte
gebeurtenissen zoals aardbevingen of vliegtuigongelukken.
o Voorbeeld: scoren mensen die in een aardbeving zijn geweest hoger op angstscores?
, - Analoge experimenten: een onderzoeksontwerp waarbij de participanten in een laboratorium
zetten en in een situatie brengen dat gelijkaardig is aan het dagelijks leven. De onderzoeker
produceren abnormaal gedrag en nemen dan testen af.
o Voorbeeld: worden mensen depressief bij terugkerende negatieve gebeurtenissen.
- Single-subject experimental design: een onderzoeksmethode waarbij een participant wordt
geobserveerd en gemeten voor en na de manipulatie van de onafhankelijke variabele
(ABAB/reversal design).
Zo kunnen onderzoekers duidelijke oorzaak-gevolgverbanden vinden in allerlei soorten situaties en met
allerlei soorten participanten. Er is echter wel een probleem en dat is dat het moeilijk is om bij menselijk
gedrag absolute zekerheid te hebben. Voor participanten gelden ook regels die de onderzoekers moeten
volgen. Ze mogen bijv geen mentaal of fysiek leed ervaren. Dit wordt gecontroleerd door het institutional
review board (IRB), die alle onderzoeken nakijken en accepteren of weigeren. Er is ook een lijst opgesteld
die de leden hiervan telkens volgen bij het oordelen van een onderzoek. Het meest belangrijke is dat de
participanten geïnformeerd moesten worden over het doel en verloop van het onderzoek, dit heet ook wel
informed consent. Verder moeten ze vrijwillig, anoniem en leedvrij blijven en mogen ze stoppen wanneer
ze willen.
BIAS
Er zijn veel soorten bias, denk aan:
- Observer bias
- Experimenter bias: een proces waarbij de wetenschappers die het onderzoek uitvoeren de
resultaten beïnvloeden, om een bepaald resultaat te beschrijven
- Rosenthal effect: de onderzoeker heeft onbewust een verwachting van de participanten, en met
deze verwachting sturen ze impliciet de prestaties van de participanten.
WAT IS BEHANDELING?
Een behandeling of theorie is een procedure die is ontworpen om abnormaal gedrag te veranderen in
meer normaal gedrag. Het vereist een zorgvuldige definitie. Volgens een klinische theoreticus (Jerome
Frank) hebben alle vormen van therapie drie essentiële kenmerken:
- Een persoon die lijdt (suffer), die verlichting zoekt bij de genezer
- Een getrainde, sociaal geaccepteerde genezer (healer), wiens expertise wordt geaccepteerd door
de patiënt en zijn of haar sociale groep.
- Een reeks van contacten (series of contacts) tussen de genezer en de persoon die lijdt, waardoor
de genezer vaak probeert bepaalde veranderingen in de emotionele toestand, attitudes en gedrag
van de persoon die lijdt teweeg te brengen.
Ondanks deze eenvoudige definitie is de klinische behandeling omgeven door conflicten en soms
verwarring. Sommige therapeuten beschouwen abnormaliteit als een ziekte en beschouwen therapie
daarom als een procedure die helpt bij het genezen van die ziekte. Anderen zien abnormaliteit als een
probleem in het leven en therapeuten als leraren van functioneler gedrag en denken. Ondanks verschillen
in wat therapie definieert, zijn veel clinici het erover eens dat grote aantallen mensen therapie van een of
andere vorm nodig hebben.
GESCHIEDENIS
Prehistorie (500.000 jaar geleden)
Mensen in prehistorische samenlevingen beschouwden het menselijk lichaam en de geest als een
strijdpunt tussen externe krachten van goed en kwaad. Abnormaal gedrag werd meestal geïnterpreteerd
als een overwinning door boze geesten en de remedie voor dergelijk gedrag was om de demonen uit het
lichaam van de slachtoffer te dwingen. Bij ernstige psychopathologie (hallicunaties of melancholie) werd
men behandeld door:
- Trepanatie: een oude operatie waarbij een stenen instrument werd gebruikt om een cirkelvormig
deel van de schedel weg te snijden om abnormaal gedrag te behandelen.
- Exorcisme: behandeling voor abnormaliteit in deze vroege samenleving. Het idee was om de boze
geesten te dingen te vertrekken of om het lichaam van de persoon een ongemakkelijke plek te
maken om te leven. Dit werd uitgevoerd door een sjamaan.
Grieken en Romeinen (500 vChr – 500 nChr)
Filosofen en natuurkundigen in deze tijd boden verschillende verklaringen voor abnormaal gedrag, maar er
was een algemeen geloof dat er natuurlijke oorzaken waren voor afwijkingen. Hippocrates (460-337) leerde
dat ziekten van lichaam en geest natuurlijke oorzaken hadden. Hij zag abnormaal gedrag als een ziekte
die voortkwam uit interne fysieke problemen. Hij geloofde dat een vorm van hersenpathologie de
, boosdoener was en dat deze het gevolg was van een disbalans van vier vloeistoffen of humors, die door
het lichaam stroomden: gele gal, zwarte gal, bloed en slijm. De behandeling waren er daarom ook op
gericht om de onderliggende pathologie te corrigeren doormiddel van diëten of een leven ascese te leiden.
Lichaamssap Eigenschap bij Eigenschap bij Persoonlijkheid
evenwicht overvloed
Gele gal Knorrig Opvliegend Cholerisch
Zwarte gal Introvert Depressief Melancholisch
Bloed Passie Te energiek Sanguinistisch
Slijm Kalm Ongevoelig Flegmatisch
Middeleeuwen (500 – 1350 nChr)
De kerk was zeer invloedrijk en verwierp de wetenschappelijke benadering, zij stelden dat psychische
stoornissen het werk van de duivel waren. Abnormaal gedrag is in deze periode sterk toegenomen, omdat
het een zwarte tijd was met oorlogen, plagen en ziektes. Er waren uitbraken en massa krankzinnigheid,
waarin grote aantallen mensen absurde valse overtuigingen en ingebeelde beelden of geluiden deelden.
- Tarantisme: een kenmerk van Huntington waarbij men spastische bewegingen uit die lijken op een
soort dans.
- Lycanthropie: het geloof dat iemand bezeten is door wolven of andere dieren.
Om deze massa krankzinnigheid te behandelen werden de vroegere demonologische methodes gebruikt:
trepanatie, exorcisme en uitdrijvingen.
Rennaissance (1400 – 1700 nChr)
Demonische visies op abnormaliteit namen langzaam af. De Duitse arts Johann Weyer (1515-1588), de
eerste arts die gespecialiseerd was in geestesziekten, stelde dat de geest net zo vatbaar was voor ziekte
als het lichaam. De zorg voor mensen met een mentale stoornis bleef verbeteren. De behandelingen
werden tevens humaner en respectvoller:
- Verzorging thuis
- Verzorgen in tehuizen/religieuze plaatsen
- Door andere mensen in huis genomen
- Gemeenschap richtte mentale gezondheidsprogramma’s op
- Krankzinnigengestichten (asylum): type instelling dat voor het eerste populair werd in zestiende
eeuw om zorg te bieden aan mensen met psychische stoornissen: de intentie was goed, maar door
overbevolking een soort gevangenis.
Laat 19e eeuw
Door verschillende hervormingen en de industriële opkomst werd de maatschappij en het individu
belangrijker. De visie dat patiënten zieke mensen zijn wier ziekten met sympathie en vriendelijkheid zouden
moeten worden behandeld in plaats van ketens en slagen werd geaccepteerd. Daarom werd de morele
therapie geïntroduceerd. Morele therapie is een 19e eeuwse benadering voor de behandeling van mensen
met een mentale stoornis die de nadruk legde op morele begeleiding en humane en respectvolle
behandeling. Daarnaast werden er ook moderne krankzinnigengestichten gebouwd. In de VS werden deze
gestichten staathospitalen genoemd, omdat het mentale instituties waren die door de regering werden
gefinancieerd.
Tegen het einde van de negentiende eeuw leidden verschillende factoren tot een omkering van de morele
behandelingsbeweging en er ontstond een apathie tegenover psychopathologie; afwijkend gedrag is
ongeneeslijk. Enige factoren waren geld- en straftekorten, achteruitgang van hoeveel mensen herstelde
(recovery rates), overbevolking en vooroordelen over dat iedereen kon genezen door de morele therapie,
niet bij iedereen werkte deze behandeling. Men viel terug op oudere behandelingen zoals, de lange-termijn
hospitalisatie en psychiatrische ziekenhuizen (vooral in de VS). Hierdoor verviel het idee van therapie en
ontstonden er steeds slechtere levensomstandigheden in de opvangcentra; dwangbuizen, handboeien,
bedden met tralies, riemen etc om patiënten in bedwang te houden.
Vroeg 20e eeuw
Er ontstonden twee tegengestelde perspectieven en zij begonnen te concurreren om de aandacht
van clinici:
- Somatogene perspectief: de opvatting dat de oorzaken van abnormaal functioneren fysiek zijn;
bijvoorbeeld vermoeidheid. De behandelingen gingen weer vooruit en men bouwde psychiatrische
ziekenhuizen op mooie terreinen in de natuur. Dit perspectief is vrij biologisch naar aanleiding van