Whodunnit?
Wat is het bijstandereffect en wat doet het?
Het bijstandereffect (Darley & Latane) is een combinatie van drie processen die omschrijft
waarom mensen minder snel helpen wanneer een groep mensen groter wordt. De
processen zijn de volgende: Het eerste proces is audience inhibition. Dit houdt in dat
wanneer er meerdere mensen zijn, een publiek, men minder snel te hulp schiet, omdat ze
bang zijn dat de andere mensen hun gedrag als negatief zullen bestempelen. Het volgende
proces heet social influence en hierbij helpt niemand, omdat ook niemand anders te hulp
schiet. Elkaars gedrag wordt gekopieerd. Het laatste proces gaat over diffusion of
responsibility. Hierbij zien de mensen de hulp als een gezamenlijke verantwoordelijkheid,
waardoor de psychische last van het niet helpen minder zwaar valt voor een individu.
Het bijstandereffect zorgt ervoor dat een individu minder snel te hulp schiet in een
noodsituatie naarmate de groep van omstanders groter wordt.
Welke factoren spelen mee in het wel of niet helpen?
Persoonlijkheid
Wat het geslacht betreft is gebleken dat vrouwelijke slachtoffers eerder hulp zullen
ontvangen dan mannen, omdat ze er eerder hulpeloos uitzien. Ook spelen het geloof en de
cultuur van het slachtoffer een belangrijke rol bij het wel of niet verkrijgen van hulp. Zodra
de omstander(s) en het slachtoffer dezelfde cultuur of hetzelfde geloof hebben, zal de
omstander eerder te hulp schieten dan wanneer er verschil in zit. Dit heeft te maken met het
gevoel van samenhorigheid. Maar wat de cultuur betreft, zit er ook een verschil in
behulpzaamheid, omdat een cultuur zowel collectivistisch kan zijn als individualistisch. Maar
dat is een bijzaak. Verder speelt de aantrekkelijkheid van het slachtoffer ook een rol. Als
iemand er goed uitziet, straalt dat succes, sympathie en liefdadigheid uit wat mensen sneller
doen willen helpen. Stel dat iemand er onverzorgd en zelfs een beetje zwerverig er uitziet,
geeft dat een signaal van ellendigheid en dat wordt dan gezien alsof die persoon als het ware
het niet verdiend om geholpen te worden. Deze twee factoren van aantrekkelijkheid hebben
te maken met het halo-effect en het horn-effect. Bij het halo-effect is men geneigd aan te
nemen dat een persoon meerdere positieve eigenschappen heeft, gebaseerd op maar één
positieve eigenschap. En bij het horn-effect is men geneigd aan te nemen dat een persoon
meerdere negatieve eigenschappen heeft, gebaseerd op maar één negatieve eigenschap.
Omstanders hebben bepaalde eigenschappen die bepalen of ze wel of niet te hulp schieten.
Is er bijvoorbeeld tijdsdruk wanneer ze de noodsituatie tegenkomen (werk of een afspraak),
hebben ze professionele skills die de situatie kunnen helpen (verpleegkundige bv.), zijn ze in
een goed of slecht humeur op die dag en schaamte tegenover je vriendengroep i.v.m.
normen en waarden van de groep. Daarnaast helpen ‘bestaande groepen’ sneller dan
gevormde groepen door openbare plekken, omdat er betere communicatie plaats vindt en
er schaamte kan zijn voor het feit dat je niets doet.
Wat is het bijstandereffect en wat doet het?
Het bijstandereffect (Darley & Latane) is een combinatie van drie processen die omschrijft
waarom mensen minder snel helpen wanneer een groep mensen groter wordt. De
processen zijn de volgende: Het eerste proces is audience inhibition. Dit houdt in dat
wanneer er meerdere mensen zijn, een publiek, men minder snel te hulp schiet, omdat ze
bang zijn dat de andere mensen hun gedrag als negatief zullen bestempelen. Het volgende
proces heet social influence en hierbij helpt niemand, omdat ook niemand anders te hulp
schiet. Elkaars gedrag wordt gekopieerd. Het laatste proces gaat over diffusion of
responsibility. Hierbij zien de mensen de hulp als een gezamenlijke verantwoordelijkheid,
waardoor de psychische last van het niet helpen minder zwaar valt voor een individu.
Het bijstandereffect zorgt ervoor dat een individu minder snel te hulp schiet in een
noodsituatie naarmate de groep van omstanders groter wordt.
Welke factoren spelen mee in het wel of niet helpen?
Persoonlijkheid
Wat het geslacht betreft is gebleken dat vrouwelijke slachtoffers eerder hulp zullen
ontvangen dan mannen, omdat ze er eerder hulpeloos uitzien. Ook spelen het geloof en de
cultuur van het slachtoffer een belangrijke rol bij het wel of niet verkrijgen van hulp. Zodra
de omstander(s) en het slachtoffer dezelfde cultuur of hetzelfde geloof hebben, zal de
omstander eerder te hulp schieten dan wanneer er verschil in zit. Dit heeft te maken met het
gevoel van samenhorigheid. Maar wat de cultuur betreft, zit er ook een verschil in
behulpzaamheid, omdat een cultuur zowel collectivistisch kan zijn als individualistisch. Maar
dat is een bijzaak. Verder speelt de aantrekkelijkheid van het slachtoffer ook een rol. Als
iemand er goed uitziet, straalt dat succes, sympathie en liefdadigheid uit wat mensen sneller
doen willen helpen. Stel dat iemand er onverzorgd en zelfs een beetje zwerverig er uitziet,
geeft dat een signaal van ellendigheid en dat wordt dan gezien alsof die persoon als het ware
het niet verdiend om geholpen te worden. Deze twee factoren van aantrekkelijkheid hebben
te maken met het halo-effect en het horn-effect. Bij het halo-effect is men geneigd aan te
nemen dat een persoon meerdere positieve eigenschappen heeft, gebaseerd op maar één
positieve eigenschap. En bij het horn-effect is men geneigd aan te nemen dat een persoon
meerdere negatieve eigenschappen heeft, gebaseerd op maar één negatieve eigenschap.
Omstanders hebben bepaalde eigenschappen die bepalen of ze wel of niet te hulp schieten.
Is er bijvoorbeeld tijdsdruk wanneer ze de noodsituatie tegenkomen (werk of een afspraak),
hebben ze professionele skills die de situatie kunnen helpen (verpleegkundige bv.), zijn ze in
een goed of slecht humeur op die dag en schaamte tegenover je vriendengroep i.v.m.
normen en waarden van de groep. Daarnaast helpen ‘bestaande groepen’ sneller dan
gevormde groepen door openbare plekken, omdat er betere communicatie plaats vindt en
er schaamte kan zijn voor het feit dat je niets doet.