1600-1700
Kenmerken:
Bijzondere positie van de Republiek der zeven verenigde Nederlanden in cultuur,
economie en wetenschap
Ontstaan van overzeese handel
Ontstaan van de wetenschappelijke revolutie
Absolute vorsten (in andere landen)
In tegenstelling tot andere landen had de Republiek geen koning, maar werd het land
bestuurd door een groep burgers. Het was geen eenheid, 7 zelfstandige, kleine gewesten
met hun eigen vertegenwoordigers.
Burgers bepalen.
Er was godsdienstvrijheid, tot op zekere hoogte. Katholieken op zolder. Vrijheid van denken.
Leidde tot een plek waar vluchtelingen uit de rest van Europa naartoe gingen.
Gevolgen van overzeese handel
Wereldhandel begon met VOC rijkdom.
Vanwege het succes van de VOC werd de WIC ook opgericht. slavenhandel.
Nederland kon zijn gang gaan, omdat de andere landen bezig waren met burgeroorlogen.
1672: rampjaar. Nederland werd aangevallen door andere landen.
28 augustus 1672: Bommen Berend.
Vrijheid van denken leidde tot de Wetenschappelijke Revolutie: niet op je gevoel afgaan,
maar op je verstand.
De tijd van pruiken en revoluties
1700-1800
Kenmerken:
Het ontstaan van slavenhandel (driehoekshandel)
Het ontstaan van de Verlichting: je gebruikt je verstand, zelf nadenken. Mannen en
vrouwen zijn gelijkwaardig. Burgers mochten ook meedenken en meebeslissen.
De grondrechten werden vastgelegd in de Grondwet. Gelden voor iedereen.
Opstand tegen stadhouder.
, Revoluties op volgorde kennen voor de toets!
1. Amerikaanse Revolutie
2. Franse Revolutie
3. Bataafse Revolutie
De revoluties zorgden er (in ieder geval tijdelijk) voor dat er sprake was van meer gelijkheid/
minder ongelijkheid.
Napoleon
Metrieke stelsel
Overal dezelfde wetten (in elk land wat hij veroverde)
Burgerlijke standen
Achternamen
De meeste wetten van Napoleon zijn niet teruggedraaid.
Tijd van Burgers en Stoommachines
1800-1900
Waterloo: 1814. Napoleon werd verslagen.
Congres van Wenen: Europese leiders proberen de orde te herstellen. 1814-1815
(Jaartal komt op de toets)
1870: Industriële Revolutie in Nederland
Er waren geen wetten die arbeiders beschermden tegen uitbuiting, waardoor er
slechte werkomstandigheden waren.
Constitutionele Monarchie: de koning is het staatshoofd, maar de regering is
verantwoordelijk. Is nu nog steeds zo.
1839: eerste stoomtrein
Tot 1848 was het bestuur in handen van een klein groepje edelen.
1848: eerste echte grondwet, waarin de fundamentele gelijkheid van de mensen werd
vastgelegd. Thorbecke. (Belangrijk!)
1863: Slavernij afgeschaft
1874: Kinderwetje van Van Houten: kinderen onder de 12 mochten niet meer in fabrieken
werken.
Arbeiders: betere werkomstandigheden
Confessionelen: overheid betaalt christelijk onderwijs.
Vrouwen: gelijkheid
1917: Passief kiesrecht voor vrouwen. Niet kiezen, wel gekozen worden.
1920: Algemeen kiesrecht
West Europa werd rijk door de Industriële Revolutie.
Modern Imperialisme: kolonisatie. Nationalisme. Strijd tussen landen onderling.