Het bio-psycho-sociale model is een uitbereiding van het biomedische model. Zowel de
patiënt als de fysiotherapeut hebben hier profijt van omdat dit model een meer complexere
beschrijving geeft. Je houdt je hier niet alleen bezig met de klacht zelf, maar ook met het
leven van je cliënt eromheen.
Bio-psycho-sociale factoren → Bijvoorbeeld: Verwachtingen zijn psychisch, want komen van
de patiënt.
SORC-model
S: stimulus, de Nociceptieve prikkeling.
O: organisme, de gedachten.
R: respons, de emotie, pijn en gedrag.
C: Consequenties, positief als iets onplezierigs verdwijnt of iets plezierigs komt. Negatief als
iets onplezierigs komt of iets plezierigs verdwijnt.
Gedragsroutes zijn bijvoorbeeld roken, alcoholgebruik, verkeerd tillen enz.
Psychofysiologische routes is bijvoorbeeld stress. Deze twee routes kunnen een
gezondheidsprobleem laten ontstaan, onderhouden en verergeren. → samen noem je ze
psychosociale factoren.
Deze factoren kunnen een gevolg zijn van gezondheidsklachten, denk aan depressie,
slaapproblemen, piekeren enz. Ze kunnen ook juist een oorzaak zijn van
gezondheidsklachten, denk aan slaapproblemen door pijn, dit kan er voor zorgen dat de
pijnproblemen blijven aanhouden.
SCEGS: Somatiek, Cognitief, Emoties, Gedrag en Sociale factoren. Uitgebreid
psychosociaal redeneren.
Somatiek: lichamelijke klachten, anamnetische vragen
Cognitieve vraag: welke gedachte iemand heeft “wat denkt u er zelf van”
Emotioneel: ‘’wat doen de klachten met u?’’
Gedragsmatig: ‘’houdt u rekening met u klachten, kunt u iets doen om de klachten te
verminderen?’’
Sociaal: ‘’moet u uw leven aanpassen aan de klachten?’’
ICF: International Classification of Functioning.
Doe maar rustig aan, Dat klinkt niet goed! Dit zijn voorbeelden van Nocebo.
Tegenovergestelde van het placebo-effect, dus in plaats van je beter voelen zonder echte
medische ingrepen te hebben gedaan ga je je slechter voelen zonder medische ingrepen te
hebben gedaan.
Narratieve psychologie: door de verhalen die er toe doen kom je achter het levensverhaal
van de patiënt.
Gedragswetenschappen 3
Leefstijl is een min of meer stabiel patroon van gedragingen op het gebied van voeding,
kleding, huisinrichting, relaties en recreatie.
Persoonsgebonden factoren: Geslacht, ras, leeftijd, lichamelijke conditie, gewoonten,
copingstijl, opleiding, beroep, karakter, psychische eigenschappen, bloeddruk, cholesterol.
Kunnen genetisch bepaald zijn of verworven (leefstijl er op aanpassen).
Leefstijl en gedrag: lichaamsbeweging, seksueel gedrag, mondhygiëne, eetgewoonten,
alcoholgebruik, wel of niet roken, drugs, fysiek belast werk of juist niet, enz.
, Maatschappelijke determinanten: bepalen fysieke en sociale omgeving waarin mensen
worden geboren, opgroeien, leven en sterven. Duiden op de sociaal economische positie en
verdeling van macht, geld en middelen.
Sense of Coherense (SOC)
Mensen met een hoge sense of coherence ervaren
• Comprehensibility - de situatie begrijpen
• Manageability - het gevoel hebben dat je iets kunt doen
• Meaningfulness – zingeving
Valt beter te begrijpen als je je realiseert wat het tegenovergestelde is
• Confusion - verwarring
• Powerlessness - machteloosheid
• Purposelessness - zinloosheid
Gedragswetenschappen 5
Observeren: Verwijst naar een wisselwerking tussen de visuele prikkels die onze zintuigen
bereiken (sensatie) en de bewerking ervan door de hersenen (perceptie).
Observaties gebruik je om je omgeving te begrijpen (interpretatie) en interacties met de
omgeving te sturen.
1. Selecteren
- Selectieve aandacht: we zien alleen datgene wat we willen zien.
- Selectieve blootstelling: we zoeken alleen datgene op wat bij ons past.
- Selectieve perceptie: wat we waarnemen is gekleurd door onze eigen
werkelijkheid.
2. Organiseren
- Categoriseren
- Verbanden leggen
- Invullen van ontbrekende informatie
3. Interpreteren
- Betekenis geven aan wat je ziet.
- Inattentional blindless: onverwachte gebeurtenissen waar mensen niet op zijn
gericht.
- Self-fulfilling prophecy: slechts datgene wat je verwachtte komt uit
Nocebo’s: iets zeggen waardoor de patiënt onnodig ongerust raakt.
Rollen in gespreksvoering:
Vertrouwenspersoon
• Een luisterend oor zijn
• Warmte en veiligheid bieden
• Duidelijkheid en rust scheppen
• Aandacht en begrip tonen
• Patiënt stimuleren vrijuit te praten
Coach
• Aanspreken zelfregulerend vermogen patiënt
• Gidsen
• Ambivalentie exploreren
• Intrinsieke motivatie laten onderzoeken en versterken