Compleet
c-GW1
ICF-model, persoonlijke factoren: SCEGS, somatisch (anametische vragen), cognitief (de gedachtes,
wat er door de patiënt heen gaat), emotioneel (wat doen de klachten met u), gedrag (rekening
houden met klachten), sociaal (leven aanpassen voor klachten)
Persoonlijke factoren
• Demografische kenmerken
– Leeftijd
– Geslacht
– Opleiding
– Burgerlijke staat
– Beroep
– Culturele achtergrond
• Locus of control
• Attributie stijlen
• Stress
• Coping stijlen
• Emoties
Neem ik de controle zelf over mijn leven of niet? Heb je er invloed op of niet.
De neiging om de gebeurtenissen in je leven toe te schrijven aan interne of externe factoren
Bijvoorbeeld: wanneer uw patiënt de diagnose heeft gekregen dat hij/zij een ernstige ziekte heeft:
Interne locus of control: dit is mij overkomen, maar ik kan nog steeds beslissen hoe ik mijn leven wil
leiden.
Externe locus of control: waarom is mij dit overkomen, er is niets dat ik eraan kan doen.
Externals: het leven is een niet beïnvloedbaar proces maar een aaneenschakeling van toevalligheden
Internals: zien zichzelf als de architect van hun bestaan
Waarom is een interne locus belangrijk?
• Minder kwetsbaar en meer flexibel
• Voorbereid om actief te handelen
• Mogelijkheden zien
• Minder stress
• Hogere kwaliteit van leven
,Attributie stijlen
Intern – extern
Instabiel – stabiel
Specifiek – globaal
Toetsen werkt niet – extern, stabiel, globaal
Deze toets was te moeilijk – extern, instabiel, specifiek
Ik kan niet zoveel stof leren – intern, stabiel, globaal
Ik was slecht voorbereid voor deze toets – intern, instabiel, specifiek
Stress
• Stress = een subjectieve ervaring of verlies van controle over de situatie
• Stressor = een situatie die als stressvol wordt ervaren
Vaak niet direct naar vragen, maar wanneer iemand iets zegt ga je hier op in. ORBS, Reflecteren
Primaire appraisal: direct beeld bij schetsen
Secundaire appraisal: war erna komt, wat kan er nou aan doen? Enz.
Coping
Probleem georiënteerde coping: direct naar de fysiotherapie stappen
Emotie regulerende coping: rondvragen in omgeving, probleem ontkennen, afleiding zoeken
UCL = Utrechtse Coping Lijst
7 verschillende stijlen:
Voorbeeld met lage rug klachten
• Actief aanpakken, al zelf de klacht aanpakken door in de fitness de rug te trainen
• Palliatieve reactie, belast rug juist minder, massage
• Vermijden, alles trainen behalve de rug, niet meer bukken en tillen. Het zoveel mogelijk
vermijden om de rug te gebruiken
• Sociale steun zoeken, vrienden vragen om te helpen, moeder bellen om je naar school te
brengen
• Passief reactiepatroon, alleen maar bankhangen en wachten tot het over gaat
• Expressie van emoties, huilen, naar rug grijpen, boos worden
• Geruststellende gedachten, gaat vanzelf over, valt allemaal wel mee
c-GW3
Leerdoelen
De fysiotherapeut in opleiding (FIO) heeft kennis van de definitie van communicatie.
De FIO kent de begrippen non-verbale en verbale communicatie.
De FIO is zich bewust van effecten van luisteren, observeren en vragen stellen.
De FIO kan interpersoonlijke communicatie interpreteren.
De FIO kent de 5 axioma’s van Paul Watzlawick.
Communicatie, wat is dat nou?
‘Communicatie is de uitwisseling van symbolische informatie (bijvoorbeeld een verkeersbord, woord,
logo, glimlach. Een teken dus) tussen mensen die zich van elkaars onmiddellijke of gemedieerde (met
een medium ertussen, bijvorrbeeld een brief, telefoon, computer, spiegel enz) aanwezigheid bewust
zijn’
Deze informatie wordt deels bewust, deels onbewust gegeven, ontvangen en geïnterpreteerd (Frank
R. Oomkes 2000)
, Transmissie: het overbrengen en verspreiden van informatie
1 inhoudsaspect, betreft de informatie, de inhoud, van het bericht
Expressie en (mede)delen:
2 betrekkingsaspect, op dit niveau geeft de zender aan hoe de inhoud moet worden opgevat door de
ontvanger en hoe hij zichzelf ziet in de relatie tot de ander.
• Complementair, dat mensen in de relatie een verschillende positie ten opzichte van elkaar
innemen, één iemand is ondergeschikt, dus een ander is ‘bovengeschikt’.
• Symmetrisch, gelijkwaardige positie aannemen ten opzichte van elkaar.
Vormen van communicatie
• Digitale communicatie, overeengekomen. Bijvoorbeeld: gesproken, geschreven taal, gebaren
waarover regels zijn opgesteld, waarvan iedereen weet wat en hoe. (heeft geschiedenis)
• Analoge communicatie, niet overeengekomen. Vooral non-verbaal, dus lichaamstaal.
Analoog is onvoorspelbaar en anders in verschillende groepen. Is ere alleen in het hier en nu.
Metacommunicatie: kan zowel digitaal als analoog zijn. Het is het communiceren over communicatie
als zodanig, dat wil zeggen communiceren over de toon van de boodschap en de bedoelde
onderliggende betekenis en verschillende betrekkingsaspecten hiervan. Met metacommunicatie
wordt bedoeld dat er niet wordt gesproken over de inhoud van de boodschap, Dit kan betrekking
hebben op zowel verbale als non-verbale communicatie.
Een voorbeeld is praten over de manier waarop je met elkaar praat en de toon waarop, zoals “Zo
praat je niet tegen je vader!” In het Frans: c’est la tone qui fait la musique
Een uitspraak op metaniveau kan soms een gesprek goed open breken. Voorbeelden van uitspraken
zijn:
• Ik heb het gevoel dat we niet helemaal op 1 lijn zitten
• Ik heb het idee dat er belangen spelen waar ik nog geen zicht op heb
• Ik zie u wat twijfelend kijken na deze opmerking van mij, begrijp ik dat u het anders ziet?
• Na dit gesprek heb ik echt het idee dat wij dezelfde visie hebben
Verschillende niveaus van communicatie
• Persoonlijk (intra- en interpersoonlijk)
• Groepen en organisatorisch
• Maatschappelijk en internationaal
Communicatie processen
• Informatie uitwisselen
• Geluid: toon/ spraak
• Vorm: beeld/ symboliek/ tekst
• Handelingen/ gedrag
• Non-verbale communicatie
• Imponeren/ rustgeven
• Zintuigen
De vijf axioma’s van Paul Watzlawick. Deze niet bewezen stellingen die wel als grondslag worden
aanvaard, worden algemeen aanvaard als basis voor iedere communicatie.
1. Het is onmogelijk om niét te communiceren: alle gedrag is communicatie.
2. Elke communicatie omvat een inhouds- en een betrekkingsaspect.
3. Elke communicatie is afhankelijk van de interpretatie van gebeurtenissen. Interactie als
partijen oorzaak en gevolg van elkaars verschillend uitleggen (“Nee, jíj begon ermee”).
4. Mensen communiceren zowel digitaal (via cijfers, letters, woorden en taal) als analoog (zoals
via toonzetting, stijl en gebaren).
5. Elke communicatie is symmetrisch of complementair (aanvullend): men is uit op gelijkheid of
men benadrukt juist verschillen (machtsverschil).