1. aan de hand van de DSM-5 criteria de volgende drie angststoornissen beschrijven en herkennen
in een casus: fobie en paniekstoornis, obsessief-compulsieve stoornis(Dwangstoornis),
posttraumatische stressstoornis;
Fobie en paniek stoornis:
- Angst is een emotionele toestand die optreed wanneer een bron van gevaar slecht gedefinieerd is
reactie is onderzoeken.
- Vrees is een emotionele reactie op bedreigingen die conctreet of bekend zijn, reactie is vermijden
- Paniek is een in tijd beperkte episode van intense of spontane angst of intense vrees in
confrontaties met een gevrees voorwerp of situatie. Reactie is vluchten.
DSM-5 Fobische syndroom valt onder de paraplu van angststoornis:
A. Angst of vrees voor een specifiek object of situatie
B. Het roept altijd onmiddellijk angst of vrees op
C. Het object of de situatie wordt vermeden of alleen verdragen met intense angst.
D. Angst is buiten proportie tegen over werkelijk gevaar.
E. Angst is langdurig: Minstens 6 maanden
F. Veroorzaakd lijdensdruk en beperkingen in het sociale en beroepsmatige functioneren.
Obsessief-compulsieve stoornis:
PSST: De duur van de respons is buiten proportie
DSM-5 Paniekstoornis onder de paraplu van angststoornis:
A. Terugkerende, onverwachte paniekaanvallen. Een paniekaanval is een plotselinge, intense angst
die zijn hoogtepunt bereikt in een paar minuten en gepaard gaat met een aantal fysieke, cognitieve
en perceptuele symptomen
B. Patiënten ervaren een aanhoudende bezorgdheid over nieuwe aanvallen en de gevolgen daarvan.
Bv. Angst om gek te worden, verlies van zelfbeheersing, een hartaanval krijgen. Er kunnen daarom
veranderingen in het gedrag komen, zoals lichamelijke inspanning en onbekende situaties vermijden.
DSM-5 OCD (Dwangstoornis):
Obsessie is gedachte en een Compulsie is een handeling
- De obsessie of compulsie zijn tijdrovend (> 1 uur per dag) of veroorzaken klinische significante lijden
druk of beperkingen in het sociale of beroepsmatige functioneren
Obsessie:
1. Recidiverende en persisterende (blijvende) gedachte, impulsen of voorstellingen die vaak als
ongewenst en die bij de meeste betrokkenen duidelijke angst of lijden druk veroorzaken.
2. De betrokkenen probeert deze gedachte, impulsen of voorstellingen te negeren of te onderdrukken,
te neutraliseren met een gedachte of een handeling (Bv. Compulsie)
Compulsie:
1. Herhalende handelingen of psychische activiteiten (bv. Bidden, tellen, woorden herhalen in
gedachte), waartoe men zich gedwongen voelt, in reactie op een obsessie of volgens regels die rigide
moeten worden toegepast.
2. De handelingen of psychische activiteiten hebben tot en doel om angst of lijdensdruk te voorkomen
of te verminderen of om een gevreesde gebeurtenis te voorkomen. Maar deze handelingen of
psychische activiteiten hebben geen reëel verband met dat gene wat moet worden geneutraliseerd of
voorkomen, of zijn duidelijk excessief.
DSM-5 PTSS:
A. Blootgesteld aan feitelijke of dreigende dood, ernstig verwondingen of seksueel geweld.
B. Een of meer van de volgende symptomen (samenhangend met traumatische gebeurtenissen)
- pijnlijke herinneringen, Het is de persoon direct overkomen of getuigen gebeurtenis, de persoon
word herhaaldelijk blootgesteld aan nare details. Zoals werk bij politie.
, - Onaangename dromen
- Dissociatieve reacties (niet meer in de realiteit zijn, weg staren), kunnen een manier zijn voor
mensen om nare herinneringen te vergeten.
- Lijdensdruk
C. Vermijding van prikkels die bij het trauma horen (vermijden van herinneringen, gedachte,
gevoelens, activiteiten, situaties)
D. Negatieve veranderingen in gedachte of stemming, blijkend uit 2 of meer van onderstaande
kenmerken, betrokkenen geeft zich zelf de schuld, onvermogen om positieve emoties te ervaren.
Negatieve gemoedstoestand. Minder belangstelling voor deelname aan activiteiten.
E. Veranderingen in arousal en reactiviteit (2 of meer kenmerken)
Prikkelbaar, roekeloos, waakzaam/op hoede zijn, Overdreven schrik reactie, concentratieproblemen,
Verstoring van slaap.
Symptomen bij B,C,D,E duren langer dan een maand.
80 % van de nederlanders maakt in hun leven een buitengewoon schokkende gebeurtenis mee.
10% ontwikkelt een PTSS
De kans op PTSS is bij vrouwen 2-3 keer zo groot dan bij mannen.
PTSS komt voor bij Traumatische ervaringen En gebrek aan sociale steun EN aanwezigheid van
andere psychische problemen EN als mensen het gevoel hebben dat hun persoonlijk onrecht is
aangedaan.
De behandeling is:
- Traumatische gerichte CGT
- EDMR
- Eye movement desensitization and reprocessing
- Ervaringen van mensen met EMDR: Ik kan aan de traumatische gebeurtenissen terugdenken zonder
overspoeld te raken door emoties.
Interventies en ettidue bij PTSS
• Psycho-educatie geven over stoornis en behandeling
• Ondersteunen bij opdrachten in het kader van cognitieve gedragstherapie
• Betrekken van de omgeving door uitnodiging voor gesprek
• Taakconcentratie oefeningen
• Sociale vaardigheidstraining
• Ontspanningsoefeningen
• Opstellen van het terugvalpreventieplan samen met de patiënt
• In de stablisatiefase: ondersteuning door structuur bieden en verbeteren coping-vaardigheden
(leren grenzen aan te geven, leren hulp zoeken, leren delen)
• Tijdens verwerkingsfase: emotionele ondersteuning en ondersteuning bij aanpakken
vermijdingsgedrag.
Medicatie bij behandeling PTSS:
• Antidepressiva: SSRI (selectiveserotonine reuptake inhibitors) en TCA’s.
• Benzodiazepinen: onderdrukken angst maar zijn verslavend en je hebt er steeds meer van nodig
voor hetzelfde effect
• Werking benzodiazepine: verhogen GABA waardoor bepaalde receptoren geblokkeerd worden en er
geen prikkeloverdracht plaats vindt
2. de etiologie, symptomen, diagnose, prevalentie, behandeling prognose van angststoornissen en
van dwangstoornissen noemen;
Etiologie Angsstoornis
- Genetische aanleg
- Omgevingsfactoren