Samenvatting paragraaf 2 t/m 4 +
formuleoverzicht
Paragraaf 2 – Energie in huis
Energiegebruik in huis
De belangrijkste energiebronnen zijn elektriciteit en aardgas, maar er zijn
ook andere energiebronnen zoals de zon (zonnepanelen), wind, hout en
stookolie. Nederlanders gingen vanaf 1950 steeds meer energie gebruiken
en vanaf 1980 weer minder door isolatie en verwarmingsketels met een
hoger rendement.
De meeste energie komt uit fossiele brandstoffen (aardgas, aardolie en
steenkool). Aardgas voor woningverwarming, benzine en kerosine van
aardolie en elektrische energie van steenkool en aardgas, maar steenkool
wordt in 2030 verboden. 10% van de energie komt van andere bronnen.
De helft van het energiegebruik van een woning is voor verwarming.
Eenheden voor energie + verbrandingswarmte
1 kJ 1000 J De eenheid kWh gebruiken we alleen voor elektrische
1 MJ 1 miljoen energie.
J Aardgasverbruik meet je in m3, de energie die
1 GJ 1 miljard vrijkomt wordt verbrandingswarmte genoemd. Dit
J hangt af van de stof en is bij aardgas 32MJ per m3
1 kWh 3,6 MJ
Energie om water te
verwarmen
De soortelijke warmte van water is 4180 J, er is
dus 4180 J nodig om 1 kg water 1 graad te
verwarmen. Water heeft een in verhouding hoge
soortelijke warmte. Om toch energie te besparen
kan je warmte van afvalwater opnieuw gebruiken
met de installatie uit de foto hiernaast. Met deze
warmteterugwinning wordt het water al 30
graden.
Het rendement van een apparaat geeft aan
hoeveel procent van de energie wordt omgezet in
de energievorm waarvoor het apparaat is bedoeld.
Q=mxc (warmte)energie = massa x soortelijke warmte x
x Δt temperatuurverandering
J kg j/kg/c c
Rekenen met soortelijke warmte
…
η = Enuttig : Etotaal x Rendement = nuttige energie : gebruikte energie x