Huurrecht – College 8
Huur woonruimte
‘ACHTERBLIJVER’ na overlijden huurder
Drie situaties:
Art. 7:268 lid 6 BW:
Huurder woonde alleen en komt te overlijden. De woning komt dan leeg te
staan en volgens art. 7:286 lid 6 BW eindigt de huurovereenkomst in de zesde
maand na het overlijden van de huurder.
Art. 7:268 lid 1 BW:
Na overlijden huurder zet wettelijke medehuurder (ex 7:266 of 267 BW) de
huur voort.
Art. 7:268 lid 2 BW:
Ander inwonend persoon die DGH met huurder voerde, zet huur gedurende 6
maanden voort. Vaak in het geval van een bejaarde huurster die in de woning
verbleef samen met haar meerderjarige zoon. Mag die zoon dan in de woning
blijven wonen? De zoon moet hoofverblijf in de woning hebben en daarnaast
een DGH met de huurster hebben gevoerd. Een meerderjarig kind voert in
beginsel niet een DGH met zijn ouders. De duurzaamheid ontbreekt, omdat
het normaliter de bedoeling is dat een meerderjarig kind op een gegeven
moment op zichzelf gaat wonen. Echter: als een meerderjarig kind boven zijn
dertigste nog thuis woont, dan heeft die mogelijk wegens zijn eigen mentale
gesteldheid en persoonlijke omstandigheden niet de intentie om op zichzelf te
gaan wonen. In de rechtspraak wordt wel aangenomen dat de meerderjarige
toch de intentie had om thuis te blijven wonen en dan zou de DGH wel kunnen
worden aangenomen.
Wat nu als de achterblijver van de huurder gedurende zes maanden in de woning
achterblijft terwijl niet aan de vereisten van art. 7:268 lid 2 BW is voldaan? Er bestaat
dan in beginsel geen geldige titel op grond waarvan de achterblijver in de woning
mag verblijven. De verhuurder zou dan direct na het overlijden van de huurder een
kort geding kunnen voeren bij de rechter teneinde een ontruiming te bewerkstelligen.
In de praktijk zien we echter dat een verhuurder niet vaak overgaat tot een dergelijke
procedure. Waarom? Een voorzieningenrechter in het kader van een kort geding
maakt alleen een belangenafweging en probeert niet vooruit te lopen op wat de
uitkomst in de bodemprocedure zou kunnen zijn. Een voorzieningenrechter zal
over het algemeen niet graag zijn handen willen branden aan ontruiming van een
achterblijver. De kans dat je als verhuurder met succes de achterblijver tot ontruiming
, zou kunnen dwingen door middel van een kort geding, is binnen die zes maanden
niet zo groot. Doorgaans zal een verhuurder eerst die zes maanden afwachten en
kijken wat de achterblijver vervolgens doet. De verhuurder kan eventueel nog in
overleg treden met de achterblijver. Verder is van belang dat de achterblijver mag
blijven zitten zo lang op de vordering tot voortzetting nog niet onherroepelijk door de
rechter is beslist.
Art. 7:268 lid 2 BW
Binnen 6 maanden na overlijden huurder moet inwoner rechtsvordering
instellen. Wil de achterblijver van de huurder na afloop van de zes maanden
nog in de woning kunnen blijven, dan moet hij binnen zes maanden een
vordering bij de rechter hebben ingesteld. De achterblijver mag in de woning
blijven zitten zo lang op de vordering tot voortzetting nog niet onherroepelijk
door de rechter is beslist.
6 maanden-termijn = ‘fatale termijn’
Zie:
HR 21-03-2003, NJ
HR 14-11-2003, NJ
Als de achterblijver niet binnen zes maanden een vordering bij de rechter
instelt, dan is hij te laat en dan zal hij uit de woning moeten vertrekken.
NJ
Westerheide verhuurt aan moeder V. Wageningen.
Zoon (72 jaar) woont sinds 1947 bij haar in.
23 – 03 – 1998: moeder overlijdt.
Zoon neemt huurbetaling over.
Brief Westerheide 23 – 02 – 1999: ontruiming.
Zoon beroept zich op art. 7:286 lid 2 BW.
Rechtbank:
Beroep Westerheide op verstrijken ‘fatale termijn’ naar maatstaven van
redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (6:248 lid 2 BW).
Hoge Raad:
Wetgever heeft initiatief gelegd bij persoon die huurovereenkomst wil
voortzetten. Verhuurder behoefde niet te informeren. Vernietigt vonnis
rechtbank.
Ratio: rechtszekerheid. De rechtszekerheid vergt dat strikt de hand gehouden
wordt aan de regel van 7:286 lid 2 BW. De achterblijver moet actie
ondernemen en anders heeft hij pech gehad.
Art. 7:268 lid 3 BW
Huur woonruimte
‘ACHTERBLIJVER’ na overlijden huurder
Drie situaties:
Art. 7:268 lid 6 BW:
Huurder woonde alleen en komt te overlijden. De woning komt dan leeg te
staan en volgens art. 7:286 lid 6 BW eindigt de huurovereenkomst in de zesde
maand na het overlijden van de huurder.
Art. 7:268 lid 1 BW:
Na overlijden huurder zet wettelijke medehuurder (ex 7:266 of 267 BW) de
huur voort.
Art. 7:268 lid 2 BW:
Ander inwonend persoon die DGH met huurder voerde, zet huur gedurende 6
maanden voort. Vaak in het geval van een bejaarde huurster die in de woning
verbleef samen met haar meerderjarige zoon. Mag die zoon dan in de woning
blijven wonen? De zoon moet hoofverblijf in de woning hebben en daarnaast
een DGH met de huurster hebben gevoerd. Een meerderjarig kind voert in
beginsel niet een DGH met zijn ouders. De duurzaamheid ontbreekt, omdat
het normaliter de bedoeling is dat een meerderjarig kind op een gegeven
moment op zichzelf gaat wonen. Echter: als een meerderjarig kind boven zijn
dertigste nog thuis woont, dan heeft die mogelijk wegens zijn eigen mentale
gesteldheid en persoonlijke omstandigheden niet de intentie om op zichzelf te
gaan wonen. In de rechtspraak wordt wel aangenomen dat de meerderjarige
toch de intentie had om thuis te blijven wonen en dan zou de DGH wel kunnen
worden aangenomen.
Wat nu als de achterblijver van de huurder gedurende zes maanden in de woning
achterblijft terwijl niet aan de vereisten van art. 7:268 lid 2 BW is voldaan? Er bestaat
dan in beginsel geen geldige titel op grond waarvan de achterblijver in de woning
mag verblijven. De verhuurder zou dan direct na het overlijden van de huurder een
kort geding kunnen voeren bij de rechter teneinde een ontruiming te bewerkstelligen.
In de praktijk zien we echter dat een verhuurder niet vaak overgaat tot een dergelijke
procedure. Waarom? Een voorzieningenrechter in het kader van een kort geding
maakt alleen een belangenafweging en probeert niet vooruit te lopen op wat de
uitkomst in de bodemprocedure zou kunnen zijn. Een voorzieningenrechter zal
over het algemeen niet graag zijn handen willen branden aan ontruiming van een
achterblijver. De kans dat je als verhuurder met succes de achterblijver tot ontruiming
, zou kunnen dwingen door middel van een kort geding, is binnen die zes maanden
niet zo groot. Doorgaans zal een verhuurder eerst die zes maanden afwachten en
kijken wat de achterblijver vervolgens doet. De verhuurder kan eventueel nog in
overleg treden met de achterblijver. Verder is van belang dat de achterblijver mag
blijven zitten zo lang op de vordering tot voortzetting nog niet onherroepelijk door de
rechter is beslist.
Art. 7:268 lid 2 BW
Binnen 6 maanden na overlijden huurder moet inwoner rechtsvordering
instellen. Wil de achterblijver van de huurder na afloop van de zes maanden
nog in de woning kunnen blijven, dan moet hij binnen zes maanden een
vordering bij de rechter hebben ingesteld. De achterblijver mag in de woning
blijven zitten zo lang op de vordering tot voortzetting nog niet onherroepelijk
door de rechter is beslist.
6 maanden-termijn = ‘fatale termijn’
Zie:
HR 21-03-2003, NJ
HR 14-11-2003, NJ
Als de achterblijver niet binnen zes maanden een vordering bij de rechter
instelt, dan is hij te laat en dan zal hij uit de woning moeten vertrekken.
NJ
Westerheide verhuurt aan moeder V. Wageningen.
Zoon (72 jaar) woont sinds 1947 bij haar in.
23 – 03 – 1998: moeder overlijdt.
Zoon neemt huurbetaling over.
Brief Westerheide 23 – 02 – 1999: ontruiming.
Zoon beroept zich op art. 7:286 lid 2 BW.
Rechtbank:
Beroep Westerheide op verstrijken ‘fatale termijn’ naar maatstaven van
redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (6:248 lid 2 BW).
Hoge Raad:
Wetgever heeft initiatief gelegd bij persoon die huurovereenkomst wil
voortzetten. Verhuurder behoefde niet te informeren. Vernietigt vonnis
rechtbank.
Ratio: rechtszekerheid. De rechtszekerheid vergt dat strikt de hand gehouden
wordt aan de regel van 7:286 lid 2 BW. De achterblijver moet actie
ondernemen en anders heeft hij pech gehad.
Art. 7:268 lid 3 BW