Historiography
Early Modern Europe: A Pathway to Modernity?
De term ‘vroegmodern’ impliceert zowel een revisie van de klassieke interpretatie van de
opkomst van de moderniteit als een voortzetting van die interpretatie. De term erkent
fundamentele veranderingen aan de uiteinden van de periode 1500-1800, zonder de
karakteristieken van de periode te definiëren. De antecedenten van het label ‘vroegmodern’
blijven verbonden aan het idee van modernisatie. Economische diversificatie, staatsvorming,
veranderingen in mentaliteit en levenspatronen karakteriseren de vroegmoderne
geschiedenis.
Vergelijkende geschiedenis leidt tot de vraag wanneer en waarom niveaus van verandering
een point of no return bereikten, die een take off naar de moderniteit startte. Een grote
impuls onder vroege modernisten was om meer continuïteit met eerdere en latere periodes
te accepteren. Dit ging hand in hand met de toenemende invloed van antropologie.
Antropologie voorziet in raamwerken voor de analyse van semi-universele menselijke
praktijken en stimuleert tegelijkertijd micro-historische benaderingen. Historische
antropologie maakt ruimte voor synchronische en diachronische comparatieve inzichten.
Als vroegmoderne geschiedenis niet gezien kan worden als als een variant van de Sattelzeit
(transitionele periode ca. 1750-1850), waardoor werd het dan gekenmerkt? Delen de drie
eeuwen van de vroegmoderne periode karakteristieken die ze apart zetten van vroegere en
latere periodes? Onderzoek is vaak niet georganiseerd langs de lijnen van vroegmoderne
geschiedenis, maar in kleinere segmenten.
States, Nations, Empires and Regions
De natiestaten van Europa spelen een grote rol in traditionele en hedendaagse
historiografie. De vroegmoderne periode, traditioneel afgebeeld als een fase waarin staten
langzamerhand werden gevormd, vormt een opvallend component in moderne nationale
identiteiten. Verschillende Europese landen plaatsen hun gouden eeuwen in de 16e, 17e of
18e eeuw. De focus op naties is echter weinig effectief in het voorzien van een comparatief
inzicht in de belangrijkste kwesties van politieke geschiedenis in de vroegmoderne tijd.
Opvallend genoeg zijn buitenlandse historici vaak instrumentaal geweest in het verbinden
van een nationaal verleden met bredere horizons.
Een regionaal perspectief kan het belang belichten van identiteiten en loyaliteiten op lagere
niveaus, die vaak belangrijker waren dan die op het centrale politieke niveau. Het kan de
interacties laten zien die niet gelimiteerd waren tot één politiek centrum. Daarnaast kan het
politieke criteria geheel omzeilen en regio’s definiëren op basis van geografie. De term
‘transnationaal’ is in de vroegmoderne tijd nogal out of place, aangezien regio’s belangrijker
waren.
Comparative History and the ‘Voices’ from the Past
De vroegmoderne Europese geschiedenis moet de hele fase van de 14e eeuwse crisis tot
de revolutionaire golf van de late 1840 omvatten. Conventionele grenzen moeten
systematisch overschreden worden. In deze open vorm, in plaats van de klassieke weg naar
de moderniteit, blijft de vroegmoderne tijd een belangrijke focus.
Onderwijs en onderzoek eisen een gebalanceerde mix van regionale, nationale, Europese
en globale perspectieven.
Lucassen Cities, States and Migration Control in Western Europe: Comparing Then and
, Now
Het recente migratie verleden van West-Europa biedt ons twee modellen:
● De ‘Gouden Kooi’ (heeft betrekking op de gastarbeiders van de jaren 70 en 80):
aangezien staten massa immigratie niet konden weigeren vanwege onverwachte
ingebedde sociale en wettelijke rechten, kregen immigranten en hun afstammelingen
dezelfde sociale, economische en politieke rechten als de oorspronkelijke
landbewoners. Dit omvat ook hun opname in de welvaartsstaat. Dit model
ontmoedigd ze om te vertrekken omdat ze deze rechten dan opgeven.
● Het ‘Tantalus Torment’ model (heeft betrekking op de arbeiders uit Oost-Europa): het
is migranten ten alle tijden toegestaan om een ‘paradijs’ van hoge lonen binnen te
komen, maar ze hebben geen toegang tot de voordelen van de welvaartsstaat.
Beweging wordt hoofdzakelijk beheerst door de arbeidsmarkt en alleen zij die een
permanente baan vinden voor meerdere jaren zonder onderbreking krijgen geleidelijk
toegang tot de voordelen van de welvaartsstaat.
In beide modellen zijn steden de bestemmingen van de migranten, maar stedelijke
autoriteiten hebben weinig of geen macht om hun komst te reguleren.
In de vroegmoderne tijd was men op nationaal niveau vooral bezig met religie en was er
weinig interesse in patronen van arbeidsmigratie. Op lokaal niveau realiseerden autoriteiten
zich dat ze afhankelijk waren van migratie, aangezien de bevolking zichzelf niet kon
reproduceren. Tegelijkertijd waren ze ook behoedzaam voor de arme en onproductieve
migranten. De angst dat migranten afhankelijk zouden worden van lokale armenhulp was
cruciaal voor de manier waarop het beleid werd gemaakt. Religie speelde wel een rol, maar
de economie en zorgen over armenhulp waren het belangrijkst.
In dit hoofdstuk zal de schrijver laten zien dat het lokale beleid in vroegmodern Europa veel
gemeen heeft met het nationale beleid van de 20e en 21e eeuw. Hij zal de analytische
waarde van de twee modellen testen door te kijken naar structurele overeenkomsten.
Daarnaast zal hij kijken naar de tussenliggende transitieperiode van de lange 19e eeuw, dat
een soort vacuüm leek te hebben waarin steden het grootste deel van hun rechterlijke macht
verloren terwijl de staat haar verantwoordelijkheden op het gebied van welvaart nog niet had
aangenomen.
Immigration to Dutch Cities in the Early Modern Period
De auteur begint door de impact van migratie op Nederlandse steden te schetsen, vooral op
de provincies Zuid- en Noord-Holland. Vanuit het perspectief van grotendeels autonome
steden werden alle migranten van buiten de stad als ‘buitenlands’ gezien en ook zo
behandeld. Naast religieuze karakteristieken waren de stedelijke autoriteiten geïnteresseerd
in menselijk kapitaal. Dit betekende dat vakkundige nieuwkomers uit andere staten soms
meer welkom waren dan ongeschoolde migranten uit omliggende dorpen.
Amsterdam trok grote aantallen buitenlandse migranten aan. Als resultaat hiervan
vertiendubbelde de bevolking van Amsterdam binnen een eeuw (1575-1675). Aangezien
vroegmoderne steden hoge sterftecijfers hadden, was deze groei alleen mogelijk door grote
en doorgaande immigratie. Toen het sterftecijfer afnam in de loop van de 19e eeuw en
natuurlijke groei belangrijker werd voor bevolkingsgroei, nam het aandeel in Amsterdam
geborene toe. Tegen deze tijd was de aantrekkelijkheid van Amsterdam voor buitenlanders
afgenomen, waardoor het aandeel buitenlanders zeer afnam na 1800.
Two Contrasting Models: Migration Policies in Amsterdam and Leiden
In de migratiegeschiedenis van Amsterdam wordt veel aandacht gegeven aan de rijke en