Paragraaf 1
Alle producten die je eet of drinkt zijn voedingsmiddelen.
Voedingsmiddelen kunnen plantaardig of dierlijk zijn.
Paragraaf 2
Veel plantaardige voedingsmiddelen bevatten voedingsvezel. Dit is een
verzamelnaam voor de onverteerbare stoffen in plantaardig voedsel.
Voedingsmiddelen bevatten voedingstoffen. Dat zijn de bruikbare bestanddelen
van voedingsmiddelen.
Er zijn 6 groepen voedingsstoffen: eiwitten, koolhydraten, vetten, water,
mineralen(zouten) en vitaminen.
4 functies van voedingsstoffen:
Bouwstof: groei, ontwikkeling en herstel.
Brandstof: energie, bewegen en lichaamstemperatuur op peil
houden.
Reservestof: niet directe bouw- en brandstoffen, maar worden
opgeslagen.
Beschermende stof: goed weerstand
Overzicht voedingsstoffen; samenvatting paragraaf 1 en 2.
Paragraaf 3
Conserveren: voedingsmiddelen behandelen waardoor ze langer houdbaar zijn.
De leefomstandigheden voor micro-organismen worden ongunstig gemaakt.
Leefomstandigheden micro-organismen:
Zuurstof
Gunstige temperatuur
Water
Voedingsstoffen
Gunstige omstandigheden: niet te zout/zoet/zuur.
Invriezen: temperatuur is te laag om zich voor te kunnen planten.
Pasteuriseren: melk korte tijd verhitten. Zodat de gunstige temperatuur
verstoort wordt.
Steriliseren: melk wordt lang verhit, waardoor alle bacteriën en schimmels
doodgaan.
Vacuüm verpakken: lucht uit verpakking wordt weggezogen, zodat de
schimmels geen zuurstof meer hebben.
Gas verpakken: koolstofdioxide bijgooien zodat de micro-organismen worden
geremd.
Drogen: water onttrekken zodat voedingsorganismen zich niet kunnen
voorplanten.
Doorstralen: voedingsmiddelen worden doorstraald met radioactieve stralen.
Daardoor kunnen micro-organismen niet meer voorplanten of gaan ze dood.
Conserveermiddelen toevoegen: suiker, zout, zuurstof en stikstof toevoegen
zodat de groeiende voorplanting geremd wordt.
Paragraaf 4
Om alle voedingsstoffen binnen te krijgen moet je gevarieerd eten.
Je kunt hiervoor de schijf van 5 gebruiken:
Vak 1 = vitamine C en voedingsvezel.